Onderzoeksnieuws november 2020

NATUURJAAR 2020- 33, Herfst in Natuurtuin De Robbert

logo natuurtuin

Vandaag: Nieuwe wantsensoorten, Start Actie project voor 2021; Sprinkhanen en Krekels in en rondom de Natuurtuin.

Zaterdag (2020-11-28), Een koude start vanmorgen vroeg in de Natuurtuin. Deze morgen maar eens opzoek naar een Plataan in de wijk. Heb in het verlengde van de ingang van de tuin enkele platanen gevonden, net aan de randgrens van het gebied de Bundertjes. Onder de -van nature wisselende- schors zitten diverse wantsensoorten. De bekendste is de Plataanridderwants Arocatus longiceps (Stål, 1872) 5,5-6,6 mm groot. Onder -de bijna loszittende- schors overwinterd deze wants, met vele individuen. Evenlater al zoekend tussen de stukjes schors zie ik drie super kleine wantsen Brachysteles parvicornis (A. Costa, 1847) van ca. 2mm groot. Foto’s Will van Berkel

Plataanridderwants (Arocatus longiceps)
Plataanridderwants (Arocatus longiceps)

Plataanridderwants Arocatus longiceps (Stål, 1872)

De Arocatus longiceps is een wants uit de familie bodemwantsen. 'Plataanridderwants' is de Nederlandse naam voor deze wants op Waarneming.nl, waar voor alle in de Benelux voorkomende wantsen eenduidige Nederlandse namen zijn ingevoerd.

Info klik op link:

https://waarneming.nl/species/197702/

Brachysteles parvicornis
Brachysteles parvicornis

Brachysteles parvicornis is een wants uit de familie van de bloemwantsen (Anthocoridae). De soort werd het eerst wetenschappelijk beschreven door Achille Costa in 1847.

Uiterlijk: De wants kan langvleugelig (macropteer), sublangvleugelig (submacropteer): 1,2-2,6 mm en kortvleugelig (brachypteer): 1,5-1,7 mm aangetroffen worden. De kortvleugelige varianten kunnen ongeveer 1,5 mm lang worden, de langvleugelige varianten 1 tot 2,5 mm. De wants heeft een kop, halsschild en scutellum dat zwart tot donkerbruin gekleurd is. De vleugels zijn bruin tot lichtbruin met donkere delen op het gebied rond het scutellum, de voorkant van de vleugels en het uiteinde van het verharde deel van de voorvleugels. Het vliezige, doorzichtige deel van de vleugels is grijs. De pootjes zijn lichtbruin, de antennes iets donkerder bruin. Het tweede antennesegment is aan het begin soms lichter.

Leefwijze: De wants overleeft de winter als volgroeid dier en er zijn in gunstige gevallen twee generaties per jaar. De wantsen leven op zeer diverse plekken, op coniferen, onder de schors van plataan, in veenmos, tussen muurpeper op zoute of zanderige bodem maar ook in vochtige weilanden en voeden zich met oribatide mijten. De volwassen wantsen zijn van begin april tot november aan te treffen.

Leefgebied: De soort is in Nederland zeldzaam en komt voor van West- en Zuid-Europa tot Noord-Afrika.

Waterwants nieuwe soort waarneming.

Ongeveer een maand geleden -tijdens het onderzoek naar waterinsecten in de grote poel- is een Gevlekt bootsmannetje gevangen tijdens het scheppen. Van de week is de waarneming gevalideerd, definitief een nieuwe (water) wantsensoort op de soortenlijst van de Natuurtuin ‘de Robbert’.

Thans zijn 4 soorten Notonectidae aangetroffen in de grote poel: Gewoon bootsmannetje Notonecta glauca , Tenger bootsmannetje Notonecta viridis, Zwart bootsmannetje Notonecta obliqua en nu het Gevlekt bootsmannetje Notonecta maculata.

Gevlekt bootsmannetje (Notonecta maculata)
Gevlekt bootsmannetje (Notonecta maculata)
Gevlekt bootsmannetje (Notonecta maculata)
Gevlekt bootsmannetje (Notonecta maculata)
verspreiding Gevlekt bootsmannetje
verspreiding Gevlekt bootsmannetje

Gevlekt bootsmannetje Notonecta maculata Fabricius, 1794,

Een omvangrijke kosmopolitische familie. In Nederland en België komt daarvan alleen het genus Notonecta voor met zes soorten. Ook wel rugzwemmers genoemd, omdat ze met hun buik naar boven zwemmen. Het zijn uitstekende zwemmers en vliegers, maar bewegen zich onbeholpen op het land. Het zijn roofdieren met allerlei prooien ook insecten, die in het water zijn gevallen. Ze jagen hun prooi actief na.

Ze komen naar het wateroppervlak om hun voorraad lucht aan te vullen. Die toevoer van lucht wordt voor het grootste deel aan de buikkant tussen haartjes opgeslagen. Door die grote voorraad lucht zijn ze licht en drijven ze naar boven als ze niet zwemmen of zich vasthouden.

Bootsmannetjes zijn vaak vanaf foto's te determineren, maar alleen als de rug is gefotografeerd. Dus niet vanaf foto's van de buikzijde. Zet a.u.b. die foto's bij Notonecta spec.Nimfen (geen ontwikkelde dekvleugels) zijn ook niet te determineren.

Herkenning:

  • 13,5-16,5 mm.

  • Langvleugelig (macropteer).

  • Slank lichaam

  • Scutellum (schildje) zwart, de zijrand langer dan de spleet tussen de clavus (deel langs schildje) van de voorvleugels.

  • Voorvleugels witachtig tot geelachtig, oranjeachtig, vaak donker gevlekt.

  • De achterrand van het pronotum (halsschild) is enigszins naar buiten gebogen. Pronotum met stompe, afgeronde voorhoeken.

  • Bovenkant abdomen (achterlichaam) is donker met aan de voor- en achterkant een geelrode dwarsband.

Gelijkende soorten: Zie Notonecta spec. voor de verschillen. Vanaf de onderkant zijn ze niet te determineren!

Voorkomen: In Nederland algemeen, vooral in het westen. Europa, Noord- Afrika tot in Klein- en Centraal-Azie, Pakistan en India (Polhemus1995).

Ontwikkeling: Een generatie per jaar.

Biotoop: Voorkeur voor onbeschaduwde stilstaande wateren. Veel in enerzijds zure vennen en anderzijds in brakke wateren.

Overwintering: Als volwassen wants .

Voedsel: Zoofaag.

Quote van Jan Cuppen op forum: "Wanneer je de dekvleugels openklapt dan is het achterlijf onder de achtervleugel oranje(geel) van kleur (bij de clavus en de basis van het corium), bij N. glauca is het gehele abdomen zwart. Pas op met pas vervelde dieren waar het gehele abdomen bij beide soorten licht van kleur kan zijn".

Start actieproject voor 2021: Sprinkhanen en Krekels monitoring in en rondom de Natuurtuin.

Regelmatig tijdens de vele insecten vangstsessies dit jaar 2020 in de natuurtuin, treffen we regelmatig Sprinkhanen en Krekels als bijvangsten aan in het vlindernet. Maar als je alle sprinkhaansoorten op een rijtje zet zijn het dit jaar 10 soorten. Als je de gemelde soorten in waarneming.nl bekijkt zijn het slechts 14 soorten verdeeld over de jaren 2010 – 2020. Het zijn enkel ‘losse’ meldingen.

Voor komend jaar is het plan opgevat om de Sprinkhanen en Krekels in kaart te brengen in en rondom de Natuurtuin. Door de veldmonitoring te stimuleren, op te voeren en regelmatig informatie te geven van de aan te treffen soorten.

WIE DOET ER MEE, MELD JE AAN ! voor nadere informatie, eerst aanmelden via de site.

Inleiding : Sprinkhanen zijn een relatief eenvoudig waar te nemen groep insecten waar in beleid en beheer steeds meer rekening mee gehouden wordt. Momenteel is er een verschuiving gaande in de sprinkhanenfauna: Vanuit het zuiden komen nieuwe soorten binnen terwijl sommige oorspronkelijke soorten achteruitgaan of zelfs al verdwenen zijn. Noord-Brabant is belangrijk voor de Nederlandse sprinkhanen fauna. Van de landelijke 18 rode lijstsoorten komen er 7 voor in Noord-Brabant.

Sprinkhanen zijn echte zonliefhebbers. Het soortenaantal neemt naar het Zuiden van Europa dan ook sterk toe, veel meer dan bij bijvoorbeeld libellen of zweefvliegen. Uit Nederland zijn slechts 49 soorten bekend. In Frankrijk kunnen al ruim 200 soorten gevonden worden, terwijl Italië en Griekenland ieder ruim 300 soorten herbergen.

Sprinkhanen en Krekels Natuurtuin 2010 - 2020

 

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Eerste

***Validatie

**Zeldzaamheid

 

1

  Boomsprinkhaan

Meconema thalassinum

21-08-11

G

A

 

2

  Bruine sprinkhaan

Chorthippus brunneus

11-09-10

G

A

 

3

  Gewoon spitskopje

Conocephalus dorsalis

16-08-17

G

A

 

4*

  Gouden sprinkhaan

Chrysochraon dispar

07-07-20

G

Z

 

5

  Greppelsprinkhaan

Roeseliana roeselii

19-05-20

G

V

 

6

  Grote groene sabelsprinkhaan

Tettigonia viridissima

18-04-20

G

A

 

7*

  Krasser

Pseudochorthippus parallelus

11-09-10

G

V

 

8

  Kustsprinkhaan

Chorthippus albomarginatus

19-05-20

 

A

 

9*

  Moerassprinkhaan

Stethophyma grossum

07-07-20

G

V

 

10

  Ratelaar

Chorthippus biguttulus

11-09-10

G

A

 

11

  Veldkrekel

Gryllus campestris

30-05-20

 

V

 

12*

  Zeggedoorntje

Tetrix subulata

09-05-20

G

A

 

13

  Zuidelijke boomsprinkhaan

Meconema meridionale

25-07-20

G

V

 

14

  Zwart wekkertje

Omocestus rufipes

22-06-20

G

V

 
* Foto en informatie van enkele Sprinkhaansoorten, zie onder
** Zeldzaamheid: A= Algemeen, V= Vrij algemeen, Z= Zeldzaam, ZZ= Zeer zeldzaam
*** Validatie: G= Gevalideerd (Goedgekeurd door waarneming.nl)

Gouden sprinkhaan (Chrysochraon dispar)
Gouden sprinkhaan (Chrysochraon dispar)

Gouden sprinkhaan Chrysochraon dispar (Germar, 1834)

mm: ♂ 15-19, ♀ 22-28, Trefkans: juli-aug

Het mannetje is vrij klein en metallic groen, met korte, brede vleugels en een opvallende spitse achterlijfspunt. Het vrouwtje is vrij plomp en bruin, met korte vleugels (vergelijkbaar met vrouwtje krasser) en opvallend rood gekleurde achterscheen en onderzijde van de achterdij. Langvleugelige exemplaren zijn zeldzaam. Komt voor in ruige vegetaties in bermen en uiterwaarden.

Krasser (Pseudochorthippus parallelus)
Krasser (Pseudochorthippus parallelus)

Krasser Pseudochorthippus parallelus (Zetterstedt, 1821)

mm: ♂ 13-16, ♀ 18-22, Trefkans: juli-sept

Kleine, groene veldsprinkhaan met korte vleugels. Langvleugelige individuen zijn zeldzaam. Te onderscheiden van de zompsprinkhaan door de kortere achtervleugel van het mannetje en de, driehoekige voorvleugel en kortere eilegkleppen van het vrouwtje. De zang is sneller dan die van de zompsprinkhaan. Algemeen in bermen, graslanden en heide.

Moerassprinkhaan (Stethophyma grossum)
Moerassprinkhaan (Stethophyma grossum)

Moerassprinkhaan Stethophyma grossum (Linnaeus, 1758)

mm: ♂ 16-25, ♀ 28-35, Trefkans: juli-sept

Grote, geelgroene veldsprinkhaan, met opvallende rode onderzijde van de achterdij en gele achterscheen met zwarte doorns. Geluid een fel tikken, dat lijkt op schrikdraad. Lokaal algemeen in vochtige graslanden en heide, op de hogere zandgronden.

Zeggedoorntje (Tetrix subulata)
Zeggedoorntje (Tetrix subulata)

Zeggedoorntje Tetrix subulata (Linnaeus, 1758)

mm: ♂ 8-12, ♀ 10-15, Trefkans apr-sept

Klein sprinkhaantje dat lang- en kortdoornig kan zijn. De langdoornige vorm lijkt op zanddoorntje, maar de knik op de bovenzijde van de achterdij ontbreekt. Vrij algemeen op allerlei schaars begroeide oevers, vooral in beekdalen en uiterwaarden.

Sprinkhanen en krekels behoren tot de populairste insecten. Het aantal soorten in Nederland is met 49 overzichtelijk, ze zijn niet te klein en opvallend aanwezig in het veld. Bovendien maken de meeste soorten een geluid waaraan ze makkelijk te herkennen zijn. Aan het laatste atlasproject (2008-2015) deden dan ook maar liefst zo'n 4000 natuurwaarnemers mee. Tijdens dit project werd heel Nederland op sprinkhanen onderzocht. De resultaten zijn vastgelegd in de Entomologische Tabel sprinkhanen. 

Op de site van EIS – het kenniscentrum van insecten – is een zoekkaart en een poster met alle Nederlandse sprinkhanen en krekels te bekijken en te downloaden.

Alle 49 soorten sprinkhanen (onderverdeeld in sabelsprinkhanen, krekels, doornsprinkhanen en veldsprinkhanen) staan vermeld. Op de poster staan alleen de schitterende afbeeldingen, op de zoekkaart staan er ook nog korte beschrijvingen bij.

Sprinkhanen en krekels zijn de muzikanten onder de insecten. De mannetjes maken de geluiden en daaraan kun je de soort herkennen, net als bij vogels. Ze komen vooral voor in mooie, kruidenrijke graslanden en heide, maar ook in de stad. Doordat er slechts 49 soorten zijn in Nederland is het ook een overzichtelijke groep die je, met wat studie, makkelijk kunt leren kennen.

Link zoekkaart:

https://www.eis-nederland.nl/DesktopModules/Bring2mind/DMX/API/Entries/Download?command=core_download&entryid=742&language=nl-NL&PortalId=4&TabId=563

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ in de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel.

NATUURJAAR 2020- 32, Herfst in Natuurtuin De Robbert

logo natuurtuin

Vandaag: INFO Tuinvogeltelling 2021, Micro moths en Nieuwe wantsen en lijst-2020.

Zaterdag (2020-11-21), De laatste paar dagen van deze week is het een stuk frisser. Nu de R weer in de maanden zit heb ik de voedersilo’s en andere kunstmatige voederhuisjes weer opgehangen en gevuld met diverse ‘winter’zaden. Je merkt dat er -de laatste dagen- meer vogels bivakkeren in je eigen groene tuin (in Natuurtuin De Robbert worden dieren niet bijgevoerd). Een aantal vogelsoorten gaan nu over van de insectenvoeding naar het harde zadenvoedsel. Ook de uitnodiging voor deelname en informatie over de aanstaande tuinvogeltelling-2021 kwam alweer binnen van Vogelbescherming via de mailbox. Lees de tuinvogeltelling special, klik op de link.

folder nationale vogeltelling 2020
folder nationale vogeltelling 2020

Download de Tuinvogeltelling special via deze link

Het winterseizoen in de Natuurtuin is aangebroken, ook hier zijn minder vogelsoorten. De resultaten deze week van de telling; kleine groepjes Vink, Sijs en Mezen. Ook een groep van 14 Kramsvogels en 10 Kolganzen telden we deze morgen ‘in vlucht’ boven de tuin. Uiteindelijk noteerden we 17 vogelsoorten. Binnenkort komt de jaarlijst-2020 van de vogels op deze website.

Na de VogelAtlas telronde nr. 38, de takkenrillen afgezocht in de Natuurtuin -met harkje en de ‘witte bak- opzoek naar microvlinders. Twee soorten gevonden de Bonte- en Bleke kaartmot van elk meerdere exemplaren gevonden. Deze Micro moths zoeken een overwinteringsplek op in de aangelegde takkenrillen. Vorig jaar heb ik d.d. 19-10-2020 een Roodvlekkaartmot aangetroffen in de takkenril.

Bonte kaartmot (Agonopterix ciliella)
Bonte kaartmot (Agonopterix ciliella)

Bonte kaartmot Agonopterix ciliella (Stainton, 1849)

De bonte kaartmot (Agonopterix ciliella) is een vlinder uit de familie grasmineermotten (Elachistidae). De wetenschappelijke naam is voor het eerst geldig gepubliceerd in 1849 door Stainton. De soort komt voor in Europa.

Bleke kaartmot (Agonopterix arenella)
Bleke kaartmot (Agonopterix arenella)

Bleke kaartmot Agonopterix arenella (Denis & Schiffermüller, 1775)

De bleke kaartmot (Agonopterix arenella) is een nachtvlinder uit de familie van de sikkelmotten (Oecophoridae). De spanwijdte van de vlinder bedraagt tussen de 19 en 25 millimeter.

Levenscyclus: De bleke kaartmot heeft onder andere distel, vederdistel, centaurie, klis en zaagblad als waardplanten. De rups leeft eerst als bladmineerder, later leeft hij in een spinsel onder het blad. De rups is te vinden van mei tot in augustus. De vliegtijd is van halverwege augustus tot in juni. De soort overwintert als imago.

Voorkomen: De bleke kaartmot komt verspreid over het Palearctisch gebied voor. De bleke kaartmot is in Nederland en België een algemene soort.

Vorige week is de Jaarlijst-2020 van de Wantsen gepubliceerd en geplaatst op de website, alle soorten die gevonden zijn in de Natuurtuin. De overzichtslijst met 100 genoteerde soorten bevat 60 nieuwe wantsen, die verdeeld over het jaar 2020 zijn gemonitord en vastgelegd. De Jaarlijst en het verslag is geplaatst in het hoofdstuk: Onderzoeksverslagen (Groene balk) of klik op de weblink;

https://www.derobbert.nl/onderzoeksverslagen/wantsen-2020/

Zoals vorige week aangekondigd in deze rubriek, heb nog informatie voor jullie van enkele nieuwe wantsen in de tuin, tevens toegevoegd en een kaartje van de verspreiding van de soort in Nederland.

Schaarse muggenwants (Empicoris rubromaculatus)
Schaarse muggenwants (Empicoris rubromaculatus)
verspreiding Schaarse muggenwants
verspreiding Schaarse muggenwants

Schaarse muggenwants Empicoris rubromaculatus (Blackburn, 1888)

Familie: Reduviidae Empicoris rubromaculatus (Blackburn, 1889)

Nieuw voor Nederland: Noord-Brabant Breda, Valkenberg Park, ac 112-400, 8.viii.2010, 1 ♀ geklopt van een conifeer, K. den Bieman.

Empicoris rubromaculatus is een pantropische soort, die op enkele plaatsen is doorgedrongen in de subtropische en gematigde klimaatzones (Putshkov et al. 1999). In Europa heeft ze een beperkte, in hoofdzaak mediterrane verspreiding en komt ze voor in België, Zuid-Frankrijk, Portugal, Spanje, Italië, Kroatië en Griekenland (Putshkov & Putshkov 1996, Rus 2004, Aukema et al. 2009). Daarnaast komt ze voor op de Makaronesische eilanden, in Marokko, Israël, Rusland (het verre oosten van Siberië), Japan en China, en verspreide vindplaatsen in de tropen (Putshkov & Putshkov 1996). Na de vondsten in België in de provincies Oost- Vlaanderen, Antwerpen en Vlaams Brabant (Aukema et al. 2009) blijkt ze ook in het aangrenzende Noord-Brabant voor te komen.

Voor informatie over de leefwijze wordt hier verwezen naar laatstgenoemde publicatie.

In Nederland en Belgie zijn 4 wantsen uit het genus _Empicoris _met de aantekening dat E. rubromaculatus na een eerste vondst in Nederland in 2010 pas in 2017 weer is waargenomen. In Belgie was dat al eerder.

Herkenning:

  • 4,5-6,1 mm.

  • Langvleugelig (macropteer)

  • De lange antennen zijn en de lange slanke poten zijn goeddeels wit met smalle, zwarte ringetjes.

  • Op het schildje (scutellum) is een 'doorn'.

  • Kop, halsschild (pronotum), schildje (scutellum) zijn bruin. Aan de zijkant van het halsschild een heel korte witte streep, richel (terwijl deze bij de andere soorten helemaal doorloopt tot de achterrand van het halsschild). De voorvleugels zijn bruin met witte aders. Pterostigma doorgaans rood gekleurd.

Gelijkende soorten:

De Empicoris rubromaculatus l lijkt sterk op de Empicoris vagabundus 

Verschillen:

  • In de revisie van de Europese Empicoris van Putshkov et al. (1999), maar zelfs in sleutels voor Zuid-Amerikaanse is het de enige waarvan de richel aan de zijkant van de achterste halsschild- maar zal op matige foto's slecht te herkennen zijn. Verder is het pterostigma distaal vaak wat rood gekleurd.

  • Nu dit beest in Nederland opgedoken is, gooit het roet in het eten voor de makkelijke herkenbaarheid van E. vagabundus op basis van de smalle zwarte ringen op poten en antennes, want die zijn bij deze soort ook minder breed dan bij de andere twee (een soort tussenvorm - wat het lastig maakt).

Voorkomen: In Nederland en Belgie zeer zeldzaam (De eerste vondst in Nederland was in 2010, daarna tot 2017 niet meer gevangen). Komt voor in Europa, Verenigde Staten, Japan, Australie, Zuid-Afrika (www.discoverlife.org)

Voedsel:Zoofaag- Kleine insecten als bladvlooien (Psyllidae), stofluizen (Psocoptera).

Esdoornhalsbandwants Deraeocoris flavilinea
Esdoornhalsbandwants Deraeocoris flavilinea
Esdoornhalsbandwants Deraeocoris flavilinea
Esdoornhalsbandwants Deraeocoris flavilinea
verspreiding Esdoornhalsbandwants
verspreiding Esdoornhalsbandwants

Esdoornhalsbandwants Deraeocoris flavilinea (A. Costa, 1862)

Familie Miridae - blindwantsen:een opvallende eigenschap van blindwantsen is het ontbreken van puntogen (ocelli), waarvan veel wantsen (niet alle) er twee of drie op de kop hebben (vandaar de naam blindwants voor de Miridae).

Onderfamilie Deraeocorinae, Tribus Deraeocorini: ovale, meer of minder brede, glanzende wantsen. De kop is vrij klein. Van de antennes zijn segmenten 3 en 4 veel dunner en korter dan segment 2. Het uiteinde van segment 2 is vaak dikker. Tussen halsschild (pronotum) en kop zit een duidelijke ring. Tribus Deraeocorini bevat (o.a.) de genera Deraeocoris en Alloeotomus.

Herkenning - Deraeocoris flavilinea :

  • 6,3-7 mm.

  • Langvleugelig (macropteer).

  • De antennes zijn bij de mannetjes zwart. Bij de vrouwtjes bruin met een zwart uiteinde van segment 2.

  • Vrouwtje is oranjeachtig. Mannetje is veel donkerder.

  • De kop is roodbruin. Bij de donkere wantsen is ook de kop vaak donkerder gekleurd.

  • Het schildje (scutellum) is aan de zijkant lichtgekleurd. Het halsschild (pronotum) heeft voor en achter een lichte rand.

  • De kleur van de voorvleugels varieert van oranjeachtig bij de vrouwtjes tot donkerbruin of zelfs zwart bij de mannetjes, vaak wel met een lichter deel langs het schildje. Van de voorvleugels is de cuneus (uiteinde van het hoornachtig deel v.d. voorvleugel) variabel van kleur (roodachtig, oranjeachtig of witachtig grijs).

  • De kleur van de poten varieert van bruin bij de lichtgekleurde wantsen tot zwart bij de donkere wantsen. De schenen hebben witte ringen.

Voorkomen: in Nederland zeer algemeen. Voor het eerst in 2003 waargenomen, nu in geheel Nederland en Belgie. Palearctisch. Oorspronkelijk alleen in Italie en Corsica. Sinds 1984 invasief in West- en Midden-Europa (Rabitsch 2008).

Biotoop: in allerlei bomen als esdoorn, es, hazelaar en struiken langs bosranden, parken, tuinen. Soms in coniferen of in de kruidlaag.

Ontwikkeling: volwassen wantsen worden waargenomen van mei tot in september. Een generatie per jaar.

Overwintering: als ei.

Voedsel: zoofaag. Vooral bladluizen (Aphidoidea), maar ook poppen van lieveheersbeestjes (Coccinellidae).

Biologie:
begin juli - half augustus. Winters houden van eieren. Eén generatie per jaar. De voeding bestaat uit diervoeding

Habitat: Leeft in bosranden, heggen, parken, tuinen, etc. Onder de vele waardplanten zijn linde ( Tilia ), es ( Fraxinus excelsior ), hazelaar ( Corylus avellana ), sleedoorn ( Prunus spinosa ) en esdoorn ( Acer pseudoplatanus ).


Verspreiding: Gevonden als een nieuwe soort voor Denemarken in 2006 door Kasted Mose (EJ) (L. skipper). Hier, een paar jaar later, is het al wijdverspreid en vrij algemeen in het oosten en zuiden van Denemarken. Nog niet gerapporteerd vanuit West-Jutland of ten noorden van de Limfjord. Tot enkele decennia geleden werd de soort als endemisch voor Sicilië beschouwd. (T, S, E, H)

Appelsprietwants (Atractotomus mali)
Appelsprietwants (Atractotomus mali)
verspreiding Appelsprietwants
verspreiding Appelsprietwants

Appelsprietwants Atractotomus mali (Meyer-Dür, 1843)

Familie Miridae - blindwantsen: een opvallende eigenschap van blindwantsen is het ontbreken van ocelli (puntogen), waarvan veel wantsen (niet alle) er twee of drie op de kop hebben (vandaar de naam blindwants voor de Miridae).

Onderfamilie Phylinae. Tribus Phylini. Genus Atractotomus.

Genus Atractotomus : zwarte of zwartbruine wantsen met schubachtige gouden of zilveren haren. Antennesegment 2 is bij de vrouwtjes verdikt. Soorten, die veel op elkaar lijken.

Herkenning:

  • 3-3,6 mm.

  • Langvleugelig (macropteer).

  • De antennesegmenten 1 en 2 zijn zwart. Segment 1 is dunner bij de basis. Segmenten 3 en 4 zijn witachtig en dun. Segment 2 is spoelvormig verdikt (man, vrouw), bij het vrouwtje wat sterker verdikt.

  • Een zwarte of zwartbruine (zelden roodachtige (net uitgeslopen)) wants. Glanzende, geelachtige, schubachtige haren met daartussen zwarte haren. Langwerpig ovaal of ovaal van vorm.

  • Aders op het membraan (vliezig deel v.d. voorvleugel) zijn meestal witachtig.

  • Zwartbruine dijen en geelbruine, grijswitte schenen met zwarte stekels, maar zonder zwarte vlekjes.

Voorkomen: in Nederland algemeen. Palearctisch: Europa, Azie (het Midden- Oosten). Na versleping in Noord-Amerika. (Kerzhner & Josifov 1999, Aukema et al. 2013).

Biotoop: boomgaarden, bosranden houtwallen, parken en tuinen op houtige Rosaceae.

Ontwikkeling: de volwassen wantsen worden waargenomen van eind mei tot in september. Een generatie per jaar.

Overwintering: als ei.

Voedsel: zoofytofaag: houtige Rosaceae. Vooral appel ( Malis sp. ) en meidoorn ( Crataegus sp.). Incidenteel op braam, peer, prunus en roos. Naast sap ook honingdauw, insecten als bladluizen (Aphidoidea) en rupsjes van lichtmotten (Pyralidae) en mijten (Acari).

Valse bruine kortsprietwants (Agnocoris rubicundus)
Valse bruine kortsprietwants (Agnocoris rubicundus)
verspreiding Valse bruine kortsprietwants
verspreiding Valse bruine kortsprietwants

Valse bruine kortsprietwants Agnocoris rubicundus (Fallén, 1807)

Familie Miridae - blindwantsen: een opvallende eigenschap van blindwantsen is het ontbreken van puntogen (ocelli), waarvan veel wantsen (niet alle) er twee of drie op de kop hebben. (vandaar de naam Blindwants voor de Miridae).

Onderfamilie Mirinae. Tribus Mirini. Genus Agnocoris.

Herkenning - Agnocoris rubicundus :

  • 4,4-5 mm.

  • Langvleugelig (macropteer).

  • Korte geelachtig bruine antennes. Antennesegement 2 is ongeveer net zo lang als de breedte van de kop.

  • Een okergele tot roodachtige wants met een fijne lichte beharing.

  • Het schildje (scutellum) is bruinachtig met vaak een geelachtige punt. Het halsschild (pronotum) is okergeel tot roodachtig. Over het halsschild en schildje loopt een geelachtige middenlijn.

  • Het membraan (doorzichtig deel v.d. voorvleugels) is rookbruin met geelachtige aders.

  • Geelachtige poten. De dijen met distaal twee bruine ringen.

Gelijkende soorten: Agnocoris rubicundus lijkt zeer veel op de in Nederland heel zeldzame Agnocoris reclairei en ze zijn zonder genitaalonderzoek van de mannetjes niet van elkaar te onderscheiden.

Voorkomen: in Nederland zeer zeldzaam (enkele waarnemingen in het zuidoosten). Holarctisch: Europa, Noord-Afrika, Azie en Noord-Amerika (Kerzhner & Josifov 1999, Aukema et al. 2013).

Biotoop: houtwallen, wilgenstruwelen.

Ontwikkeling: volwassen wantsen worden waargenomen vanaf begin juli. Een generatie per jaar.

Overwintering: als volwassen wants.

Voedsel: op wilg Salix sp. Smalbladige wilgen.

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ in de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel.

 

 

NATUURJAAR 2020- 31, HERFST in Natuurtuin De Robbert

logo natuurtuin

Vandaag: 2020-11-14, Vinken, Paddenstoelen, Korstmossen en Wantsensoortenlijst-2020, soorten waargenomen in de Natuurtuin.

Zaterdag (2020-11-14), Vanmorgen op weg naar de Natuurtuin. Windstil en een aangename temperatuur. Fiets onder het Blauw-roze zwerk met een opkomede geel, oranje-rode zon. Onderweg kom ik door gekleurde lanen met nog een scala aan bladeren aan de bomen, in allerlei denkbeeldige herfstkleuren.

Wat zal de dag vandaag aan natuurobservaties en ontdekkingen brengen. Zoals iedere zaterdagmorgen start ik met de LiveAtlas vogeltelronde. Kom de bekende vogelsoorten tegen in de tuin. Door extra oplettend en alert te zijn tijdens het tellen merk ik dat de aantallen overvliegende trekvogels afgenomen zijn, het is tenslotte ook al midden november. Vele vogelsoorten zijn inmiddels aangekomen op hun overwinteringsadres. In de tuin zie en hoor ik verschillende Vinkachtigen. De zaden in de elzenproppen zijn in trek. Regelmatig vliegen ze naar het kleine plasje op de grond om hun dorst te lessen tijden het foerageren. Kijk en lees voor meer informatie over de vinkensoorten op de website van Johannes:

https:\/\/www.johannesklapwijk.com/soorten/Vogels/Vinken.htm

Luister naar de Vinkachtigen: https://www.vogelgeluid.nl/vinkachtigen/

Vink (Fringilla coelebs)
Vink (Fringilla coelebs) foto Will van Berkel

Vink (mannetje) of Boekvink zoals de vogel vroeger genoemd werd. (Foto: Will van Berkel)

Na de vogeltelling opzoek naar korstmossen en paddenstoelen. Dan kom ik op een tak deze Getande kaaszwam tegen. Het lijkt wel, wanneer je van dichtbij naar het vruchtlichaam kijkt, dat je in een druipsteengrot staat. De opbouw van het lichaam van de buisjeszwam is trapsgewijs. De soort is zeldzaam (zz), en staat op Rode Lijst 2008.

Getande kaaszwam (Spongipellis pachyodon)
Getande kaaszwam (Spongipellis pachyodon) foto Will van Berkel

Getande kaaszwam Spongipellis pachyodon (Pers.) Kotl. & Pouzar

Taxonomie/morfologie:

Groep: Basidiomyceten, polyporoïd (buisjeszwammen) (Bpo)

NMV soortcode: 0406010

Ecologie: Functionele groep: Necrotrofe parasiet (Pn)

Habitat: Loofbossen (10)

Substraat: stammen, levend (21) Organisme: Fagus (19)

Verspreiding/bedreiging: Zeldzaamheid: zeldzaam (zz), Rode Lijst 2008 Bedreigd (BE)

Determinatie/bewijs , Microscopie: Veldwaarneming kan voldoende zijn voor validatie.

Dan kom ik op de houtenbrug deze korstmossen tegen. Muurschotel, grote licht groene plakken gevormd op de natte houten brugdelen. De opvallendste Rode heidelucifer valt direct op, zeker op het hout, terwijl de bekendste groeiplaats zoals zijn naam al zegt ‘heide…’

Muurschotelkorst (Lecanora muralis)
Muurschotelkorst (Lecanora muralis) foto Will van Berkel

Muurschotelkorst Lecanora muralis (Schreber) Rabenh.

Vindplaats:

Muurschotelkorst heeft de voorkeur aan kalkrijk gesteente zoals stoeptegels, daken en stoepranden. Deze soort groeit vooral op horizontale oppervlaktes. Kan ook voorkomen als Epifyt op boomvoeten van, vooral, lindes.

Te verwarren soorten: Als deze soort goed volgroeit is, is deze nauwelijks te verwarren met andere soorten (enkele zeer zeldzame daar gelaten). Minder goed ontwikkelde exemplaren die nauwelijks lobben hebben kunnen verward worden met de Geelgroene schotelkorst ( Lecanora polytropa ).

Rode heidelucifer (Cladonia floerkeana)
Rode heidelucifer (Cladonia floerkeana) foto Will van Berkel

Rode heidelucifer Cladonia floerkeana (Fr.) Flörke

De rode heidelucifer (Cladonia floerkeana) is een staafvormig korstmos uit de familie van de Cladoniaceae (rendiermosachtigen), die vrij algemeen voorkomt in lichte bossen, heiden, stuifzanden en duinen. 

Herkenning & ecologie
Grijze, staafvormige tot vertakte soort met rode apotheciën in duin, heide en stuifzand. De podetiën hebben afstaande grijze schubben. De er op lijkende soort Cladonia macilenta heeft fijne sorediën langs de podetiën. Cladonia coccifera heeft duidelijke bekers in plaats van staafjes. Vondsten buiten natuurgebieden zijn vaak op rieten daken en vermolmd hardhout.

2e Verslag-2020; Wantsen inventarisatieonderzoek ‘De Robbert’ Natuurtuin.

Evenals vorig jaar is er ook dit jaar (2020) ‘regelmatig’ gemonitord naar wantsensoorten in de Natuurtuin en met een leuk resultaat. Vanaf 01 januari t/m 12 november 2020) zijn in totaal ca. 400 wantsen waarnemingen ingevoerd. Het speurwerk en de diverse verschillende vangstmethoden leverden dit jaar 100 wantsensoorten op in de Natuurtuin. De aangetroffen wantsen zijn allen gefotografeerd, ingevoerd en -op dit moment gedeeltelijk- goedgekeurd (door admin) van waarneming.nl . Dit jaar 2020 zijn van deze 100 gevangen soorten, 60 nieuwe wantsensoorten vastgesteld en toegevoegd aan de jaar totaallijst van de Natuurtuin ‘de Robbert’.

Kijken we naar de overzichtslijst van 2020 dan is de opbouw van de 60 nieuwe soorten: 30 x vrij algemeen, 25 x algemeen. 3 x zeldzaam en 2 x zeer zeldzaam. Het totaal aantal ingevoerde wantsensoorten (tot peildatum 12 november 2020) aangetroffen in de Natuurtuin Staat nu op 114 stuks.

De volgende keer behandel ik een aantal nieuwe Wantsensoorten die afgelopen tijd gevonden zijn.

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ in de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel.

NATUURJAAR 2020- 30, Herfst in Natuurtuin De Robbert

logo natuurtuin

Vandaag: Houtduiventrek over NL, Rode Lijst zoogdieren en Waterkevers in de Natuurtuin.

Zaterdag (2020-11-07), Vanmorgen onderweg -vlak voordat ik bij de Natuurtuin ben- zie ik verschillende groepen Houtduiven overvliegen. Deze dag begint met het uitgesproken weertype voor een leuke dag met veel houtduiven op trek.

De wekelijkse tuintelling van ca. 1 uur met de LiveAtlas App gaf aan; 25 exemplaren pleisterend in en rondom de tuin en 570 vogels overvliegend. Als ik ‘s avonds op de website www.trektellen.nl kijk, lees ik dat er vandaag bijna 283.000 houtduiven geteld zijn, het totaal resultaat van alle trektelposten verspreid over Nederland. Op de kaart zie je de trekroute van de Houtduif en de ligging van de telposten die vandaag meetelden. De trekroute van de vogels lag vandaag van; Noord-Oost naar Zuid-West.

De Houtduif (Columba palumbus) Linnaeus, 1758: is de grootste en ook de meest voorkomende duif van Nederland. Hij komt in steden voor in tuinen en parken maar ook in het buitengebied op akkers. Meestal zijn ze op de grond naar voedsel aan het zoeken of zitten ze in een boom luid te koeren. Bij het opvliegen maken ze nogal wat kabaal doordat de vleugels boven en onder het lichaam tegen elkaar klappen.

houtduiven trek
houtduiven trek
Dagtrek 2020-11-07 Hout Houtduif
Dagtrek 2020-11-07 Hout Houtduif

Ze zijn het hele jaar in Nederland aanwezig. In de winter wordt de eigen populatie, grotendeels standvogels, aangevuld door Duitse en Scandinavische vogels. De winteraantallen zijn het hoogst op de zandgronden, waar ook slaapplaatsen van vele duizenden Houtduiven zijn. De winteraantallen worden deels bepaald door de hoeveelheid voedsel (eikels, beukennootjes, overgebleven graan en mais) en kunnen van jaar op jaar sterk verschillen. De trek is vooral opvallend ten zuidoosten van de lijn Enschede-Eindhoven. Tussen half oktober en half november noteren trektellers hier soms tienduizenden Houtduiven (of zelfs meer) per dag. De voorjaarstrek, waarbij de aantallen veel lager zijn, speelt zich hoofdzakelijk in maart af.

3-NOV-2020 : Nieuwe Rode Lijst van de Nederlandse zoogdieren: Deze week gepresenteerd door de Zoogdierenvereniging. Twee derde bedreigde soorten in boerenland: Uit de herziene Rode Lijst van de Nederlandse zoogdieren, die vandaag is vastgesteld, blijkt dat met name boerenlandzoogdieren achteruitgaan. Zeer alarmerend is dat er nu zelfs algemene soorten bedreigd raken. Zo zijn de aantallen van konijn en haas sinds 1950 met 60-70 procent geslonken. Positief nieuws is te melden over een aantal andere zoogdieren waardoor de Rode Lijst iets korter is geworden.

Web Link: https://www.zoogdiervereniging.nl/sites/default/files/2020-11/Basisrapport%20RL%20Zoogdieren%2001102020%20def.pdf

Algemene soorten raken bedreigd: Zeer alarmerend is dat er nu ‘algemene’ soorten bedreigd raken. Zo zijn konijn en haas sinds 1950 in aantal met maar liefst zestig tot zeventig procent geslonken. Recenter gaat het ook met algemene soorten als egel en eekhoorn niet goed. Zo blijkt dat de egel en de eekhoorn in verspreiding met respectievelijk 50 en 34 procent achteruit zijn gegaan in de laatste tien jaar.

Zoogdier Rode lijst 2020-11-04

Zullen onze kinderen deze soorten in de toekomst alleen nog kennen uit prentenboeken? De Rode Lijst Zoogdieren onderstreept daarmee de noodzaak om te streven naar een goede Basiskwaliteit Natuur: algemene soorten moeten algemeen blijven.

Discussie over de opzet van de Rode Lijst

De Jagersvereniging laat op de website weten te twijfelen aan de betrouwbaarheid van gebruikte data van de Rode Lijst Zoogdieren, waardoor haas en konijn onterecht op de Rode Lijst staan. De Jagersvereniging ziet als probleem dat gebrekkige waarnemingen zijn gebruikt en dat data van wildbeheereenheden niet zijn meegenomen. Ook vindt de Jagersvereniging het referentiejaar 1950 dubieus. Bovendien zou er geen toezicht zijn op de protocollen en data die zijn gebruikt. Daarom roept de Jagersvereniging op tot het instellen van een autoriteit voor controle van de belangrijkste tellingen en dat alle beschikbare telgegevens worden gebruikt. 

Waterdiertjes scheppen.

Vandaag nogmaals waterdiertjes scheppen in de poelen die liggen in de Natuurtuin. Je merkt aan de gevangen soorten en aantallen deze week dat ze reageren op de buitentemperatuur. Deze week de eerste nachtvorst geeft gelijk een reactie van de slootdiertjes op lagere watertemperatuur. Vorige week zag ik in de ‘witte bak’ andere soorten en aantallen dan vandaag. Ze zoeken natuurlijk de diepere waterlagen op -met temperaturen rond de 4 graden Celcius- en kruipen ook de bodemlaag in, en hangen tussen het organische materiaal. Tijdens de zoektocht kwam dit waterroofkevertje boven.

Gewone snelzwemmer (Agabus bipustulatus)
Gewone snelzwemmer (Agabus bipustulatus)
Gewone snelzwemmer (Agabus bipustulatus)
Gewone snelzwemmer (Agabus bipustulatus)

Gewone snelzwemmer Agabus bipustulatus (Linnaeus, 1767), of de Tweepuntbeekkever (Agabus bipustulatus) is een keversoort uit de familie waterroofkevers (Dytiscidae). De wetenschappelijke naam van de soort is voor het eerst geldig gepubliceerd in 1767 door Linnaeus.

Moeraswaterroofkevertje (Hydroporus palustris)
Moeraswaterroofkevertje (Hydroporus palustris)
Moeraswaterroofkevertje (Hydroporus palustris)
Moeraswaterroofkevertje (Hydroporus palustris)

Moeraswaterroofkevertje Hydroporus palustris (Linnaeus, 1760) is een keversoort uit de familie waterroofkevers (Dytiscidae). De wetenschappelijke naam van de soort is voor het eerst geldig gepubliceerd in 1761 door Linnaeus.

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ in de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel.