Onderzoeksnieuws

logo natuurtuin

NATUURJAAR 2020- 23, NAZOMER in de Natuurtuin

Vandaag: Natuurbeleving, Nieuwe wants in de Natuurtuin en Verrassing vogel .

Zaterdag (2020-09-20), Zo, de vakantie zit erop. Als je na drie weken weer de Natuurtuin binnen komt merk je dat de natuurontwikkeling niet stil heeft gestaan. De bloemenweelde en zaadvorming van de aanwezige planten is iets wat het eerste op valt. Ook de najaar maaiwerkzaamheden zijn weer gestart. Vandaag maak ik er gebruik van het uitgevoerde werk. Ga namelijk wantsen proberen te vangen gelijk na het hooien van het gemaaide gras. Onder dit droge gras zitten allerlei insecten en diertjes.

Als Rinus met de hooihark het gras op rillen legt, ga ik met het klopnet de strook nalopen. Enkele graswantsen komen in het net, maak gelijk een foto. Even later maait Stan langs de waterlijn van de Grote Plas. Als hij de werkzaamheden heeft afgerond, probeer ik het daar ook eens. Een nat milieu en er zit ook nogal wat mos in de vegetatie. Loop de oeverlijn af en ga ook met het klopnet vlak over de waterlijn. Dan maak ik de balans op, er zit weer een nieuwe soort in het net;

Chartoscirta cincta

Chartoscirta cincta (Herrich-Schäffer, 1841)

De Saldidae (Oeverwantsen) komen hoofdzakelijk voor in vochtige biotopen als oeverzones, moerassen, zowel in het binnenland als langs de kust. Door hun vorm, waarbij vooral de door de ogen gedemoniseerde kop opvalt, ze zijn nauwelijks te verwarren met andere wantsen. Ze leven van vliegenmaden en andere kleine insecten, die op de bodem of vlak onder het bodemoppervlak te vinden zijn. Het zijn springende insecten, die daarbij hun vleugels kunnen gebruiken.  (Foto: Dick Belgers).

  • Chartoscirta cincta : Donkere antennen. Segmenten even dik. Segment 1 bij de top licht. In tegenstelling tot de andere twee soorten vrijwel geen (enkele op het halsschild) lange haren. Halsschild aan de zijkant licht concaaf.

Voorkomen: In Nederland vrij algemeen (ook op de Waddeneilanden) behalve in het noorden. Een Eurosiberische verspreiding, maar ook in tropisch Afrika. In het noorden van Europa algemener dan in het zuiden. Een ondersoort in equatoriaal Afrika en Zuid-Afrika (Pericart 1990, Lindskog 1995).

Ontwikkeling: In Nederland vermoedelijk een generatie per jaar. In het zuiden mogelijk twee generatie per jaar.

Biotoop: Langs oevers en andere vochtige plaatsen tussen riet ( Phragmites australis ), biezen ( Scirpus ) en russen ( Juncus ) en dergelijke. Zowel in voedselrijke als in voedselarme biotopen.

Overwintering: Vermoedelijk alleen als volwassen wants.

Terwijl ik de andere wantsensoorten fotografeer om later in te voeren voor registratie op de site van waarneming.nl zie ik in mijn linker ooghoek een kleurrijke vogel zitten. Vier weken terug was er ook een verrassingsvogel de Grauwe vliegenvanger ook zo’n wegtrekker die in onze Natuurtuin enkele week verbleef.

Gekraagde Roodstaart (Phoenicurus phoenicurus)

Gekraagde Roodstaart Phoenicurus phoenicurus (Linnaeus, 1758) Tekst: Sovon Foto: Vogelbescherming

 

Broedtijd

Gekraagde Roodstaarten zijn vrij talrijke broedvogels in grote bosgebieden met een hoog aandeel oude dennen. Ze zijn veel schaarser in de meeste loofbossen en in kleinschalig agrarisch cultuurlandschap op de zandgronden. In de lage delen van Nederland ontbreekt de soort tegenwoordig veelal, in Zuid-Limburg is hij merkwaardig schaars. Vergeleken met de situatie rond 1975 heeft de soort vooral in het westen en noorden van het land veel terrein prijsgegeven. Dat zijn echter gebieden waar hij nooit erg talrijk was. De landelijke trend, gedomineerd door de ontwikkelingen op de zandgronden, is redelijk stabiel. Uitschieters naar boven of beneden vallen samen met uitzonderlijk natte resp. droge winters in de Sahel.

Buitenbroedtijd

Onze broedvogels overwinteren merendeels in de Sahel. Bij ons verschijnen de eerste Gekraagde Roodstaarten in de laatste dagen van maart, vaker echter pas vanaf half april. Van doortrek is in deze periode weinig te merken. Dat is wat duidelijker in het najaar. De eigen broedvogels vertrekken vermoedelijk grotendeels in juli en augustus. Doortrekkers, voornamelijk afkomstig uit Scandinavië, passeren tussen begin augustus en half oktober, met de piek in september. Winterwaarnemingen ontbreken, in tegenstelling tot de Zwarte Roodstaart.

Terwijl ik mijn vangkansen nabij de “Grote Groene petrischaal” uitvoer en langs de braamstruiken en vegetatie ga, zie ik even later in mijn vangnet het Roesje Scoliopteryx libatrix een kleurrijke nachtvlinder. Zeer algemeen. Komt verspreid over het hele land voor. RL: gevoelig.

Roesje (Scoliopteryx libatrix)

Kenmerken vlinder

Voorvleugellengte: 19-23 mm. Deze opvallende en karakteristieke spinneruil is stevig gebouwd en heeft een brede voorvleugel die in rust tamelijk vlak ligt en een krom gebogen vleugelpunt heeft. De achterrand van de voorvleugel heeft diep ingesneden kartels. De voorvleugel is grijsachtig bruin met een roze of paarsachtige tint en is bestrooid met kleine donkere vlekjes. Van de witte centrale dwarslijnen valt vooral de dubbele buitenste dwarslijn op; deze maakt vlak bij de voorrand een scherpe bocht in de richting van de vleugelwortel. Kenmerkend is de oranje met geel gespikkelde veeg die vanuit de vleugelwortel naar het midden van de vleugel loopt en die in het middenveld, voorbij de opvallende witte stip, terugbuigt in de richting van de vleugelwortel. Een andere opvallende witte stip is aanwezig in de vleugelwortel. Langs de oranje veeg ligt een zwart met wit gespikkelde ader. Op het oranjebruine borststuk is een korte kuif zichtbaar en het mannetje heeft geveerde antennen.

Kenmerken rups

Tot 50 mm; lang en slank met een fluweelachtig uiterlijk; lichaam groen met over de rug een onduidelijke donkere middenstreep en op de flanken een zwartgezoomde, groenachtig gele lengtestreep; over de spiracula een onduidelijke, witachtige lengtestreep; kop bijna bolrond, geelachtig groen met een zwarte lijn over het midden.

Zo, de natuur staat niet stil, ook na een vakantie de onderzoekjes volgen elkaar dagelijks op.

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ in de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel.

logo natuurtuinNatuurjaar 2020- 22, Nazomer in Natuurtuin De Robbert.

Vandaag: Het weer, Hittegolf, Vogelgids App en Nieuwe wantsensoorten in de Natuurtuin.

Zaterdag (2020-08-22), Na de hitte golf -een hittegolf is een opeenvolging van in De Bilt minimaal 5 zomerse dagen (maximumtemperatuur 25,0 °C of hoger)- van elf dagen, de afgelopen elf dagen was het gemiddeld 31,7 C graden, nu is het afgekoeld. Het is vrij onstandvastig zomerweer. De zomerse warmte is vandaag (zondag) verdwenen. In de Natuurtuin is het ’s morgens vroeg heerlijk vertoeven na al die hittedagen.

Loop de vogeltelronde hoor en zie verschillende vogels; Gaai, Winterkoning, Roodborst, Boomklever en Koolmees. Kijk omhoog naar het blauwe zwerk geen zwaluwsoort meer te zien alleen een Buizerd zweeft over. Weer een vinkje op de tellijst. Na de telling zijn in totaal 17 vogelsoorten waargenomen.

vogelapp
vogel app

Tuinvogelgids App

Nu de mobiele telefoon zo algemeen is zag ik deze week een leuke Tuinvogelgids voor de jeugdige en beginnende vogelaar. De Tuinvogelgids beschrijft meer dan 100 soorten die je in de tuin of buurt kunt tegenkomen. Het is dan ook de meest complete Tuinvogelgids van Nederland die interessant kan zijn voor jong en oud, iedereen die geïnteresseerd is in de natuur en meer wil weten over wat er in de omgeving rondvliegt.

Daarnaast is er interessante informatie over de vogels te vinden en kun je je eigen dagboek aanleggen met de spotfunctie. Als bijzonder extraatje kun je van de meeste vogels hun geluid horen.

Daardoor is de app niet alleen leuk om buiten in de tuin vogels te herkennen, maar ook prettig te gebruiken, waardoor de app zowel voor Android als voor iPhone beschikbaar is. Altijd je digitale veldgids bij de hand. Een interactieve app met de meest voorkomende tuinvogels met geluiden.

Tip van een Vogelkenner; Let op met afspelen van vogelgeluiden in de natuur. Vooral in het voorjaar reageren vogels hier sterk op en dat is verloren energie. Echte kenners nemen oortjes (koptelefoon) mee het veld in. Eén oor voor het luisteren naar de vogel en het andere voor de app. Geniet van de natuur in en rondom uw leefomgeving!!

Loofbosschuinschild (Trapezonotus dispar)

Nieuwe wantsensoorten in de Natuurtuin:

Loofbosschuinschild Trapezonotus dispar, Stål, 1872 leeft fytofaag van zaden van allerlei planten op de bodem op zonnige, spaarzaam begroeide kapvlaktes en open plekken in het bos, vaak tussen houtspaanders (Aukema & Hermes 2016). In Noord-Brabant is ze niet zeldzaam en inmiddels bekend uit 21 uurhokken. Op 06 juli werd een exemplaar in de Natuurtuin verzameld.Trapezonotus dispar (foto Theodoor Heijerman)Genus Trapezonotus : Wantsen met een trapezevormig halsschild. De drie soorten op Waarneming lijken zeer veel op elkaar en zijn vaak vanaf een foto niet te determineren. Verschil in kleur is geen heel vast kenmerk, omdat die kan varieren. Het enige zekere determinatiekenmerk vormen de parameren van de mannetjes. Vaak kunnen waarnemingen met foto's niet als zeker goedgekeurd worden.

Herkenning:

  • 4,6-5,3 mm.

  • Langvleugelig (macropteer) en kortvleugelig (brachypteer). De langvleugelige vormen zijn vooral bij vrouwtjes algemener. Bij de kortvleugelige vormen zijn meestal twee of drie tergieten niet bedekt.

  • Zwarte antennen. Bij mannetjes is segment 1 geelbruin.

  • Kop, schildje (scutellum) en voorste deel halsschild (pronotum is grijszwart. Trapezevormig halsschild met een bruine zwart gepuncteerde achterrand.

  • Bruine voorvleugels met een donkere vlek. Membraan is bruinachtig met witachtige aders.

  • Bij de mannetjes zijn de voorpoten geelrood. Bij beide geslachten zijn de achterschenen minstens distaal geelrood.

Voorkomen: In Nederland gewoon in het binnenland, enkele waarnemingen in de kuststreek. Midden- en Zuid-Europa, Noord-Afrika. Naar het oosten tot in Klein-Azie en de Kaukasus.

Ontwikkeling: Een nieuwe generatie volwassen wantsen verschijnt midden juli. Een generatie in een jaar . ** In warme landen is een tweede generatie mogelijk.

Biotoop: Droge tot matig vochtige gebieden. Een voorkeur voor vochtiger en zwaardere bodems dan de T. desertus. Vaak aan de rand van loofbossen of in lichte loofbossen.

Overwintering: De volwassen wantsen overwinteren.

Voedsel: Polyfaag: Zaden van vele plantensoorten op de bodem. Op warme dagen ook in de planten. ** Vaak onder dood hout, misschien zuigen ze daar aan schimmeldraden. (niet zeker)

Zwartkopcymus (Cymus melanocephalus)

Zwartkopcymus Cymus melanocephalus Fieber, 1861

De bodemwantsen (Lygaeidae) leven vooral op de bodem van zaden (niet alle soorten) en hebben vaak wat sombere kleuren (grijs, zwart, bruintinten). Een uitzondering zijn de kleurige ridderwantsen uit de subfamilie Lygaeinae. Er zijn in Nederland tien subfamilies. Henry (1997) heeft een indeling gemaakt, waarin de familie verheven is tot de superfamilie Lygaeidea en veel subfamilies tot families (vooral in Amerika veel gebruikt).

Herkenning:

  • 3,1-3,9 mm.

  • Langvleugelig (macropteer).

  • Geelbruine antennes. Antennesegment 2 is korter dan segment 3. Segment 4

  • Kop en halsschild (pronotum) zijn bruin tot zwartbruin. Halsschild en schildje (scutellum) missen een duidelijke middenlijn of kiel. Schildje is bruin met grijs.

  • De voorvleugels zijn lichtbruin. Het corium (hoornachtig deel van de voorvleugel) heeft bij het membraan (vliezig deel v.d. voorvleugel) een donkerbruine vlek. Het membraan is kleurloos.

  • Lichtbruine poten.

Verschillen:

  • Cymus melanocephalus : kop, halsschild en schildje zijn bruin tot zwartbruin. Dus vaak donkerder dan bij de andere soorten.

  • Cymus melanocephalus : halsschild en schildje missen een duidelijke middenlijn of kiel, die bij de andere soorten wel aanwezig is.

  • Cymus melanocephalus heeft wel een donkere vlek op de voorvleugels, maar die heeft niet de iets gebogen, schuinstaande vorm van de vlek van Cymus aurescens.

  • Cymus melanocephalus : antennesegment 2 is korter dan segment 3. Cymus aurescens : antennesegment 2 is langer dan segment 3.

Voorkomen: in Nederland zeer algemeen in het binnenland en in de duinen. Europa, Noord-Afrika, naar het oosten tot in Centraal-Azie.

Biotoop: vochtige biotopen en minder vaak drogere biotopen.

Ontwikkeling: de nieuwe generatie volwassen wantsen verschijnt vanaf juli. Een generatie per jaar.

Overwintering: de volwassen wantsen overwinteren.

Voedsel: zaden van verschillende planten uit de russenfamilie ( Juncaceae ), zoals pitrus ( Juncus effusus ), biezenknoppen ( Juncus conglomeratus ), zilte rus ( Juncus gerardii ), Zeegroene rus ( Juncus inflexus ). Soms op planten uit de cypergrassenfamilie ( Cyperaceae ).

vogel

De seizoenen volgen elkaar in een jaar op. In de Natuurtuin zie je ook seizoenen; broeidtijd, opgroeien jongen, opvetten voor de Grote Trek. Op dit moment zie je ook vogelsoorten vertrekken en andere tijdelijk in de Natuurtuin bivakkeren. Gisteren evenals de vorige week een vogelsoort die tijdelijk verblijft in de Natuurtuin. Het is natuurlijk aannemelijk dat het de zelfde vogel is, maar dat is geen zekerheid in deze tijd van de vogelverhuizingen De Trek. Kom langs in de Natuurtuin en Zoek het uit! met de hiervoor behandelde Tuinvogelgids App Veel vogel kijkplezier.

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ in de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel.

Natuurjaar 2020- 21, Nazomer in Natuurtuin ‘De Robbert’.

logo natuurtuin Vandaag: Grauwe vliegenvanger in de Natuurtuin en Elzenhaantjes.

Vanmorgen onder het koffiedrinken rondom de ‘groene’tafel -het zit gedeelte voor de werkcontainer- verhalen en vogels kijken richting de Gelderse roos met rode bessen. Die later -als de vorst de bessen week heeft gemaakt- door de vogels later in de winter gegeten worden, een appeltje voor de dorst. Daarachter staat een dode boom opeens vliegt er een grijzige/beige vogel in. Zit even stil rondom zich heen te kijken en doet een uitval. Dan valt het kwartje het hele broedseizoen niet gezien en nu weer een nieuwe soort op de vogellijst van de Natuurtuin.

Grauwe vliegenvanger

Grauwe vliegenvanger. (Foto: Will van Berkel)
Grauwe vliegenvangers houden zich vooral op in bosranden en open bossen. Vanaf één of meerdere vaste uitkijkposten maken ze korte snelle vluchten achter vliegende insecten aan, die vaak in de lucht gevangen worden of van bladeren worden afgepikt. De grauwe vliegenvanger is grijsbruin van kleur en valt daardoor niet op. Ook het geluid is niet erg opvallend, waardoor de soort vaak over het hoofd wordt gezien.

Valt voornamelijk op door zijn gedrag: stilzitten vanaf een uitkijkpost (tak, paaltje of prikkeldraad) en vanaf daar vliegende insecten vangend. Bovendelen dofgrijs gekleurd, de onderdelen vuilwit. Ongestreept met uitzondering van donkere streping op het voorhoofd, keelzijden en de borst. Vrij langgerekt door lange vleugels en lange staart. Geen verschil tussen mannetje en vrouwtje.

Buitenbroedtijd
De eerste Grauwe Vliegenvangers verschijnen in de laatste dagen van april, de meerderheid volgt echter in mei. Doortrek vindt plaats tot begin juni. De wegtrek begint end juli en na half augustus zijn veel broedplaatsen verlaten. De weinig spectaculaire doortrek van noordelijke vogels piekt in augustus en de eerste helft van september. Oktoberwaarnemingen zijn schaars.

Tijdens de vogeltelronde komen we langs de Elzenbomen op vele bladeren zie je Elzenhaantjes. Wat gelijk opvalt zijn de gaten die de elzenhaantjes achter laten in het blad wordt ook wel ‘venstervraat’ genoemd.

ElzenhaantjeHet elzenhaantje (Agelastica alni) is een kever die behoort tot de familie van de bladhaantjes (Chrysomelidae). De wetenschappelijke naam van de soort is, als Chrysomela alni, in 1758 door Carl Linnaeus gepubliceerd.

Het elzenhaantje, wetenschappelijke naam Agelastica alni, een klein rondachtig gedrongen kever, is glanzend blauw, violet of groenachtig in verschillende nuances. De larven zijn zwart van kleur. De volwassen kevertjes worden ongeveer 6 à 7 mm groot.

Kevers en larven voeden zich hoofdzakelijk met bladeren, en dan vooral van de els, hazelaar, populier en wilg. Soms smaken de elzenhaantjes fruitbomen ook best prima. Vooral in het voorjaar en in de maanden mei en juni vreten de larven en kevers aardig door. De gaten die de elzenhaantjes achter laten in het blad wordt ook wel ‘venstervraat’ genoemd.

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ in de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel.

Natuurjaar 2020- 20, Zomer in Natuurtuin ‘De Robbert’.

logo natuurtuinVandaag: Mannetjesvaren, Sleedoorn en de Zwervende bochelwants in de Natuurtuin.

Zaterdag (2020-08-08), Vorige week vond ik op de Mannetjesvaren Dryopteris filix-mas twee soorten wantsen die op deze varens leven. Dit keer belicht ik de plant eens nader. Varens behoorden tot de eerste planten op aarde. Er zijn zelfs fossielen gevonden van varens die 400 miljoen jaar oud zijn. Miljoenen jaren geleden waren bomen en planten veel groter en indrukwekkender dan bomen en planten nu. Ook varens waren toen ontzettend groot. Bijvoorbeeld de boomvaren. Hij kon wel 20 meter hoog worden.

De mannetjesvaren is een varen uit de Niervarenfamilie. De plant komt voor in lichte, vochtige loofbossen. Verder komt de soort voor langs slootkanten en greppels. Daarnaast wordt de plant gehouden als sierplant voor in de tuin.

Mannetjesvaren Mannetjesvaren Dryopteris filix-masDryopteris filix-mas)Mannetjesvaren is een donkergroene, vrije forse, middelhoge 's winters afstervende varen (maximaal 1 meter) met een vrij ruime verspreiding in Nederland. De soort groeit vooral in vochtige, meer of minder voedselrijke bossen op zandbodem. Op de klei is de soort zeldzamer. De soort kan verward worden met stekelvarens. Deze stekelvarens hebben echter een stekelpuntje op de top van het bladsegment. Bij de mannetjesvaren is deze top afgerond. Behalve bossen kan deze soort ook aangetroffen worden op muren, basaltglooiingen e.d. Veel van de planten, die op zonnige plekken groeien, hebben een veel lichtere groene kleur dan de in de bos groeiende varens.

Volksnamen

Behalve mannetjesvaren heet de plant in Overijsel en Gelderland bosvaren, in Groningen adderroet, in het Land van Hulst pannenkoeken.

Dryopteris = hierin zit het woord drys: eik en pteron: vleugel, de Griekse naam voor varen. Een vrouwelijke plant vraagt zijn tegenhanger, vandaar filix mas. De plant groeit hoger dan de vrouwtjesvaren en om die reden werd hij tot het mannelijke geslacht bestempeld (Pvdm).

filix-mas = de naam Filix kan in verband staan met het Latijnse filum: draad, vanwege de wortelvezels of met felix: gelukkig, naar de geneeskrachtige werking. Mas: manlijk (Pvdm).

Mannetjesvaren Dryopteris filix-mas)Sporenhoopjes Groepjes sporendoosjes vormen sporenhoopjes of 'sori' (enkelvoud 'sorus'). Deze sori zitten bij deze plant in twee rijen. Elke sorus is afgedekt met een niervormig dekvlies ('indusium'). Zodra de sporen rijp zijn, verschrompelt het indusium en komen de sporen vrij. Dit gebeurt meestal in juli of augustus. De twee oranje gekleurde sporendoosjes op de foto (bovenaan midden) laten een deel van de sporen in het half open geopende doosje zien. (Bron: Wikipedia en Waarneming.nl)

Voortplanting Varens hebben geen zaden, maar sporen. Dit zijn heel kleine bruine stipjes. Je kunt ze pas zien als er heel veel sporen bij elkaar liggen. Sporenhoopjes kun je onder het blad van een varen vinden. Uit een spore groeit een plantje die op een hartje lijkt: de voorkiem. Daarna worden eicellen en zaadcellen gemaakt. De zaadcellen zwemmen door een laagje water naar de eicellen om ze te bevruchten. Uit de voorkiem groeit dan een nieuw varenplantje.

Vanmorgen (vervolg) een uurtje vroeger op in verband met de hittegolf die deze week is ingezet. Bij de Natuurtuin aangekomen hoor ik Stan die bezig is met het maaien van de wandelpaden. Evenlater komt Rinus al puffend binnen en daarna Wil, allen enthousiast om deze morgen te besteden in de Natuurrijke tuin. Zelf zoek ik een schaduwrijke plek op langs het pad, vandaar kijk ik naar het grote Sleedoorn strueel.

Sleedoorn (Prunus spinosa)Sleedoorn (Prunus spinosa) staat veel langs wegen, in houtwallen of windsingels. Door het dicht vertakt stelsel van ondergrondse stengeldelen met vele jonge loten, houdt de struik op hellingen de grond goed vast.

Tel nu hoeveel hongerige vogelsoorten deze ‘ontbijt’ boom bezoeken om op te vetten. Kijkend door de vogelkijker zie ik dat veel vogels nog bezig zijn met de rui van hun verenpak. Vele kenmerkende details van vogelherkenning zijn nog vervaagd in het nog ontwikkelende definitieve verenkleed. Het vliegt af en aan, opvallend rondom deze gedekte tafel, sta ook eens een minuut of 10 stil bij een bes dragende struik of boom. In het ‘natte’bosje hoor ik het bevestigend roepje van de kleurrijke vinkachtige die ik vorige week opmerkte.

Dan loop ik verder even later de tuin in en maak mijn wekelijkse vogelrondje af. Pak mijn klopscherm ga opzoek onder de kruien van de vele aanwezige bomen. In de lage bloemrijke begroeiing vind ik deze:

Zwervende bochelwants (Dicyphus errans)Zwervende bochelwants Dicyphus errans (Wolff, 1804)

Herkenning:

  • 4,4-5,2 mm.
  • Langvleugelig (macropteer).
  • Antennes: bruinachtig tot zwartbruin. Segment 1 zwart, zwartbruin roodbruin of bruin met lichtgekleurde uiteinden.
  • De kleur van de wants is variabel. Van geel tot grijs en donkerbruin.
  • Zwarte kop met lichte strepen (soms vrij breed) langs de ogen.
  • Het halsschild (pronotum) is bruin met een witte middenstreep. Het schildje (scutellum) is donkerbruin tot zwart met aan de zijkant twee wigvormige lichtgekleurde vlekken.
  • De voorvleugels zijn bijna doorschijnend en hebben __ een donkere vlek op de achterste hoek van het corium (hoornachtig deel v.d. voorvleugel) en op de cuneus (uiteinde van het hoornachtig deel v.d. voorvleugel). Het membraan (vliezig deel v.d. voorvleugel deel) is kleurloos.
  • De dijen van de lichtbruine poten hebben zwarte vlekjes. De achterpoten hebben lange schenen.

Gelijkende soorten:

Dicyphus errans lijkt op Dicyphus epilobii. (Belgie: Dicyphus epilobii )

Verschillen:

  • D. errans : antennes zijn bruinachtig tot zwartbruin. Segment 1 zwart, zwartbruin of bruin met lichtgekleurde uiteinden. D. epilobii : antennes zijn bruinachtig. Segment 1 rood met lichte uiteinden, segment 2 distaal donker.
  • D. errans : zwarte kop met lichte strepen (soms vrij breed) langs de ogen. D. epilobii : de kop is lichtgekleurd met twee (soms maar iets) donkerder strepen.

Overige soorten uit het genus Dicyphus :

  • Zie voor de verschillen tussen de wantsen uit het genus Dicyphus de informatie bij Dicyphus spec. (Belgie: Dicyphus spec.).

Voorkomen: algemeen in Nederland. Palearctisch: Europa, Azie: Midden- Oosten, Kaukasus (Kerzhner & Josifov 1999, Aukema er al. 2013).

Biotoop: allerlei kruidenrijke biotopen.

Ontwikkeling: volwassen wantsen worden waargenomen van eind april tot midden november. Waarschijnlijk twee generaties in een jaar.

Overwintering: __ de volwassen wants overwintert.

Voedsel: zoofytofaag. Een groot aantal doorgaans behaarde planten. Prooien als bladluizen (Aphidoidea), spintmijten (Tetranychidae), tripsen (Thysanoptera).

Naar mate het deze morgen later wordt loopt de buiten temperatuur op richting de 32 C en is de activiteit gedaald tot bijna rust niveau. Het waterverbruik van de mens loopt evenredig op, maar ook de belevingsverhalen over de Natuurtuin en Natuur zijn interessant, het blijft mensenwerk.

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ in de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel.

NATUURJAAR 2020- 19, ZOMER Natuurtuin De Robbert.

logo natuurtuin

Vandaag: Vogels op vruchten/zaden en nieuwe insectensoorten in de Natuurtuin.

Zaterdag (2020-08-01), We zitten nu midden in het jaargetijde Zomer. Gisteren hoge temperaturen, vannacht een onweersbuitje met lichte neerslag. Vanmorgen op de fiets naar de Natuurtuin -onderweg op enkele plaatsen onder de Zomereiken, die langs het fietspad staan- zie ik nog regen plassen. Het fietspad is plaatselijk bezaaid met afgevallen Eikeltjes en vruchten van Hazelaar. Aangekomen bij de Natuurtuin zie je van veraf de 'kleur' van bessen in de struiken en rijpende zaadvruchten in de kruinen van de bomen. Opvallend zijn de rode bessentrossen van Lijsterbes en Gelderse roos. Ondertussen heeft de Vlierbes ook zijn paars gekleurde bessendracht. In de vele bramenstruiken zie je de donker paars gekleurde bramenvruchten, die ook graag door verschillende vogels gegeten worden. Zo zorgt de Natuur voor een scala aan voedsel aanbod voor verschillende vogels en dieren.

zomereik eikels
Goudvink (Pyrrhula pyrrhula)

Zomereik (Quercus robur)

Goudvink (Pyrrhula pyrrhula)

Door de overdadige bessendracht van de voornoemde plantensoorten lokt dat nu al verschillende zangvogels aan. Zo hoorde ik vanmorgen in de Natuurtuin het enkelvoudige ‘roepje’ van de mooist gekleurde vinkachtige. Ook de Merel en Zwartkop doen zich nu al te goed aan de verschillende bessen. Later in het seizoen sluiten de Lijsterachtigen, Spreeuwen, Duiven en andere Zangvogel besseneters aan. In de Natuurtuin staan ook Zomereiken met op dit moment rijpende eikels.

Vanmorgen nogmaals -mede door het zonnige weer- met het klopschem langs bloeiende planten en vruchtdragende struiken, ook kleefkruid is een goede waardplant. Welke nieuwe soorten levert het vandaag op? Eerst gebruikte ik het klopnet, na een aantal ‘gewone wantsensoorten’ zat er een nieuwe soort in het klopnet de:

Zwarte walstrowants (Polymerus nigrita)Zwarte walstrowants Polymerus nigrita (Fallén, 1807)

Genus Polymerus : zwarte wantsen of zwart met geel/wit. Bedekt met goudkleurige of zilverkleurige schubachtige haren. Schenen met stevige zwarte stekels. De soorten op Waarneming komen voor op Walstro Polymerus vulneratus maar ook op andere planten.

Herkenning:

  • 4-4,9 mm.

  • Langvleugelig (macropteer).

  • Zwarte antennes. Antennesegment 2 en 3 zijn in het midden vaak lichter gekleurd.

  • Een matzwarte wants met goudkleurige, glanzende, schubachtige haren.

  • De kop met een lichtgekleurde vlek naast elk oog.

  • De cuneus (uiteinde van het hoornachtig deel v.d. voorvleugel) is zwart met een lichtgekleurde bovenrand en punt.

  • Zwarte poten. De schenen met twee lichtgekleurde, vaak onduidelijke, ringen.

Voorkomen: in Nederland gewoon, in het zuidoosten algemener. Europa, Azie tot in het Verre Oosten (Kerzhner & Josifov 1999, Aukema et al. 2013).

Biotoop: min of meer vochtige biotopen in bosranden en ruigtes op walstro.

Ontwikkeling: volwassen wantsen worden waargenomen van begin juni tot midden augustus. Een generatie per jaar.

Overwintering: als ei.

Voedsel: fytofaag. Walstro Galium sp., Vooral kleefkruid G. aparine , maar ook geel walstro G. verum, glad walstro G. mollugo , kruisbladwalstro G. laevipes , moeraswalstro G. palustre en noords walstro G. boreale.

Vorige week ving ik de eerste van de twee Blindwantsen die beide in varens leven de: Lichtkoppige varenblindwants Monalocoris filicis , vandaag op varens de andere minnende soort:

Donkerkoppige varenblindwants (Bryocoris pteridis)Donkerkoppige varenblindwants Bryocoris pteridis (Fallén, 1807)

Tribus Bryocorini: Twee soorten, die beide in varens leven. ( Bryocoris pteridis en Monalocoris filicis )

Herkenning:

  • Kortvleugelig (brachypteer): 2-3 mm. Langvleugelig (macropteer): 3-4 mm.

  • Een bruine of donkerbruine wants met donkere delen. Een fijne, lichte beharing

  • Antennesegmenten 1 en 2 zijn geelachtig, segment 2 met een zwarte top. Segmenten 3 en 4 zijn zwart. Segment 1 is langer dan de breedte van de kop.

  • Geelachtige poten. Segment drie van de tarsi (voeten) is zwartbruin.

Kenmerken langvleugelig:

Langwerpig ovaal van vorm.

  • Kop, halsschild (pronotum) en schildje (scutellum) zijn zwart.

  • Voorvleugels langvleugelig: clavus (smal driehoekig vlak tussen schildje en hoornachtig deel v.d. voorvleugel) is zwart, het corium (hoornachtig deel v.d. voorvleugel) is licht met donkerbruin, de cuneus (uiteinde van het corium) is witachtig met een donkere binnenrand. Het membraan (vliezig deel v.d. voorvleugel) is donker met lichte delen.

Kenmerken kortvleugelig:

  • Ovaal van vorm.

  • Kop is bruin met zwart of geheel zwart. Halsschild (pronotum) is bruin met een zwarte rand aan de voorkant of bijna geheel zwart. Schildje (scutellum) is bruin tot zwart.

  • Voorvleugels zijn bruin tot donkerbruin. Clavus is soms wat donkerder. Het puntje van het achterlichaam steekt onder de vleugels uit.

Gelijkende soorten:

De kortvleugelige vorm van **Bryocoris pteridis.

  • Bij de kortvleugelige B. pteridis __ steekt het achterlichaam iets onder de vleugels uit in tegenstelling tot bij M. filicis.

  • B. pteridis : _ d_e kop is bruin met zwart of geheel zwart. M. filicis : de kop is goudbruin tot licht oranje.

  • B. pteridis : _ a_ntennesegment 1 is langer dan de breedte van de kop. M. filicis : antennesegment 1 is korter dan de breedte van de kop.

Voorkomen: in Nederland algemeen. Palearctisch: Europa, Azie (het Verre Oosten). (Kerzhner & Josifov 1999, Aukema et al. 2013).

Biotoop: in schaduwrijke bossen op varens.

Ontwikkeling: de volwassen wantsen worden waargenomen van eind mei tot in oktober. Een generatie per jaar.

Overwintering: als ei.

Voedsel: fytofaag: Vooral niervarens ( Dryopteris sp.) en wijfjesvarens ( Athyrium filix- femina ). Vooral op bladeren met sporangien.

Onlangs zag ik voor het eerst in de Natuurtuin deze nimf van de:

Snuitkeverschildwants Arma custos
Citroenlieveheersbeestje (Psyllobora vigintiduopunctata)

Snuitkeverschildwants (Arma custos)

Citroenlieveheersbeestje Psyllobora vigintiduopunctata

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ in de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel.

Natuurjaar 2020- 17, Zomer in de Natuurtuin ‘De Robbert’.

logo natuurtuin

Vandaag: Bonte spechten en nieuwste wantsensoorten in de Natuurtuin.

Zaterdag (2020-07-25), Vanmorgen als ik door de woonwijk fiets merk ik het al, het is vakantie tijd. Het lijkt wel dat alles in ruste is, weinig verkeerslawaai en menselijke geluiden. Als ik de Natuurtuin binnenloop en mijn fiets plaats bij de Klimop wand bij de beuk zie ik Stan al bezig met het monitoren van de bloeiende planten in de ‘natte’ ondiepe poel.

Middelste bonte specht (Dendrocoptes medius)Dan horen we spechten ‘tikgeluiden’ boven ons in de Beuk en rechts in de dode elzenboom zien we twee Bonte spechten zitten. Als ik de vogelkijker pak zie ik dat het er twee zijn, een ouder vogel en een jonge Grote Bonte. Dat het een juveniel is, zie ik aan het rode petje boven op zijn kop. Dan komt er een derde Bont gekleurde specht aanvliegen en land op een tak. Deze is een tikkeltje kleiner constateren we -dat wordt interessant- welke spechtsoort zal het zijn? Turend door en langs de begroeide takken zie ik hem/haar zitten. Afwijkend verenkleed, geen Grote Bonte. Dan is de vogel beter zichtbaar, wijnrode stuit, licht gepikkelde borst en ‘witte wangen’ kop. De witte tekening op de vleugelschilden wijken af -dan die van de Grote bonte specht- die nog zichtbaar in de Els zit. We zetten nog even de kenmerken op een rij en concluderen dat het een Middelste bonte specht moet zijn. Uit de waarnemingen van het afgelopen jaar -blijkt dat deze nieuwkomer- ook is aan gevinkt in het gebied “De Bundertjes”.

 

Grote bonte vs. middelste bonte (specht)

Lees het determinatie artikel, op de site van Vogelbescherming:

https://www.vogelbescherming.nl/actueel/bericht/grote-bonte-vs-middelste-bonte-specht

Juveniele vogels zien er vaak heel anders uit dan hun ouders. En sommige jongen lijken zelfs op andere soorten. Zoals bij de grote bonte specht: jongen van deze soort worden wel ‘uitgescholden’ voor middelste bonte specht.

 

Vogeltelronde LiveAtlas

Door deze ontdekking van de Middelste bonte specht in de Natuurtuin lopen we gelijk nog een vogeltelronde ‘Rechtsom’ en nemen ook de dagvlinders en libellen mee. We gaan en lopen linksom richting de bijenstal. We zien onderweg boven de grote poel nog enkele Gierzwaluwen rondvliegen. Ook twee Sperwers kruizen ons pad, lopen richting het kleine bosje bij de ingang van het terrein. Dan staan we stil bij het bankje van ‘Tineke’ en kijken richting de grote poel. We zien af en toe kleine ‘bruine’ vogeltjes, die van de ene oever naar de grote riet kraag vliegen. Met Regelmaat vliegen ze heen en weer. Met de vogelkijker zie ik nu dat ze insecten oppikken die tussen de hoge rietstengels zitten en ook vlakbij de waterlijn is een geliefde zoekplek. Het zijn Kleine karekieten die bijna geruisloos nu toch nog aanwezig zijn. Gezien het foeragerende gedrag kunnen we aannemen dat er jonge vogels in het riet aanwezig zijn.

Wantsen- en insectenonderzoek

Wanneer Stan de voorbereidingen treft om de Meidoorn op te ruimen zet ik het klopscherm in elkaar. Welke insecten soorten zijn er dit keer te ontdekken in de ‘groene’ tuin. In het begin klop ik de algemene soorten uit de struiken en van takken. Dan zie ik een rijtje varens staan langs het pad naar achteren. Leg het klopscherm op de grond en zover mogelijk onder de varens en klop voorzichtig de kwetsbare bladeren af en bekijk wat er aan kleine insecten zoal is gevallen op het ‘witte’doek. Dan zie ik een kleine wants kruipen van 2-3,1mm grootte, het is de:

Lichtkoppige varenblindwants (Monalocoris filicis)Lichtkoppige varenblindwants Monalocoris filicis (Linnaeus, 1758). Onderfamilie Bryocorinae. Tribus Bryocorini. Genus Monalocoris.

Onderfamilie Bryocorinae: wereldwijd zijn er wel tweehonderd geslachten in deze onderfamilie. In Nederland hebben we twee tribus met zes geslachten.

Tribus Bryocorini: Twee soorten, Bryocoris pteridis en Monalocoris filicis, die beide in varens leven.

Herkenning:

  • 2-3,1 mm.

  • Langvleugelig (macropteer).

  • Antennesegment 1 en 2 zijn geelachtig, segment 2 met een donkere top. Segment 3 en 4 zijn donker. Segment 3 met een lichte basis. Segment 1 is korter dan de breedte van de kop.

  • Een bruine tot zwarte wants. Een fijne, lichte beharing. Ovaal van vorm.

  • De kop is goudbruin tot licht oranje.

  • Bruine tot donkerbruine voorvleugels. Clavus (smal driehoekig vlak tussen schildje en hoornachtig deel v.d. voorvleugel) lichterbruin. Membraan (vliezig deel v.d. voorvleugel) is bruinachtig.

  • Geelachtige poten.

Voorkomen: in Nederland algemeen. Palearctisch: Europa en van Azie tot in Japan (Kerzhner & Josifov 1999, Aukema et al. 2013).

Biotoop: varenrijke omgeving als vochtige loof- en naaldbossen.

Ontwikkeling: de nieuwe generatie volwassen wantsen verschijnt vanaf eind juni. Een generatie per jaar.

Overwintering: __ als volwassen wants.

Voedsel: fytofaag. Vooral mannetjesvarens Dryopteris filix-mas en adelaarsvarens Pteridium aquilinum.

Even later iets verderop in het pad zie ik een grijsachtige insect met lange poten. Als ik een macrofoto maak van het insect is het ook een wants de:

Marmerspillebeen (Phytocoris longipennis)Marmerspillebeen Phytocoris longipennis Flor, 1861

Genus Phytocoris : wantsen uit dit genus vallen op door de lange, vrij slanke achterdijen en het lange eerste antennesegment. Veel op elkaar lijkende soorten. Zoofytofaag.

Het genus Phytocoris kan in verschillende subgenera verdeeld worden. Op Waarneming vallen ze onder het subgenus Ktenocoris en subgenus Phytocoris.

Subgenus Phytocoris (verwarrend door dezelfde naam): kleur is geelachtige grijs, bruinachtig tot groenachtig met onregelmatige zwartachtige of bruingrijze vlekken die samenvloeien. Zwarte antennes met bleke ringen. Langvleugelig (macropteer).

Herkenning:

  • 6,6-7,5 mm.

  • Langvleugelig.

  • Zwarte antennes. Antennesegment 1 met witte vlekken. Segment 2 bij de basis witachtig soms met een lichtgekleurde ring in het midden. Basis segment 3 is lichtgekleurd.

  • Een lichtgrijze, bruin en zwartachtig gevlekte wants. Liggende, lichtgekleurde, korte beharing, gemengd met half-rechtopstaande zwarte haren.

  • Alleen het halsschild (pronotum) is voor een groot deel egaal donkergekleurd, het bovenste deel is lichtgrijs met een smalle lichtgekleurde achterrand.

  • De lichtgrijze voorvleugels zijn bruin en zwartachtig gevlekt. Het corium (hoornachtig deel v.d. voorvleugel) heeft aan de achterkant een lichte vlek. De donkergevlekte cuneus (uiteinde van het hoornachtig deel v.d. voorvleugel) heeft een lichtgekleurde bovenrand. Het membraan (vliezig deel v.d. voorvleugel) is kleurloos met grijze vlekken.

  • Antennesegment 1 is 1,5-1,67 maal zo lang als de breedte van de kop. Segment 2 is 2 maal zo lang als de breedte van het halsschild.

  • Witachtig gele poten. De dijen zijn bruin met zwartachtige vlekken. Schenen met lichtgekleurde en donkere banden. Van de middelste poten zijn de lichtgekleurde banden om de schenen breder dan de donkergekleurde.

Voorkomen: zeer algemeen in Nederland. Palaearctisch: Europa, Azie (Midden-Oosten, Centraal-Azie) (Kerzhner & Josifov 1999, Aukema et al. 2013).

Biotoop: in bossen, houtwallen, boomgaarden, parken en tuinen op de takken en stam van loofbomen.

Ontwikkeling: de volwassen wantsen worden waargenomen van mei tot eind oktober. Een generatie per jaar. Overwintering: als ei.

Voedsel: zoofytofaag. Veel soorten loofbomen. O.a. Appel Malus sp., beuk Fagus sylvatica , eik Quercus sp., els Alnus sp., es Fraxinus sp., esdoorn Acer sp., hazelaar Corylus avellana , meidoorn Crataegus sp., populier Populus sp., prunus Prunus sp., wilg Salix sp.

De volgende keer behandel ik nieuwe Wantsensoorten en insecten die afgelopen tijd gevonden zijn.

"vogelbankschroef"Vogel ‘bankschroef’

Tussendoor tijdens de klopronde zag ik de resten van een Hazelnoot geklemd in een dood stukhout. De Boomkruiper of een Bonte specht zet de noot vast om daarna de nootschil stuk te hakken.

Een morgen in de Natuurtuin en je ontdekt zoveel ‘specifieke aspecten’ van de natuur in en rondom je eigen leefomgeving.

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ in de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel.

Natuurjaar 2020- 16, Zomer in de Natuurtuin ‘De Robbert’.

Vandaag: Nieuwe wantsensoorten in de Natuurtuin en Gierzwaluwen tellen .

Zaterdag (2020-07-18), Vanmorgen in het luchtruim boven de Natuurtuin Gierzwaluwen foerageren op insecten. Als we ernaar zitten te kijken met een kopje koffie zien we dat de groep groter wordt. Afzonderlijk van elkaar proberen we de sierlijk vliegende en manoeuvrerende vogels door elkaar vliegend te tellen. Dat valt niet mee omdat er steeds meer vogels bij komen op een grotere oppervlakte. Uiteindelijk delen we de aantallen door twee en schrijven 35 exx. op in de LiveAtlas tellijst.

logo liveatlasDaarna hervatten we de telronde en lopen Linksom en tellen ook gelijk de dagvlinders die levendige rond vliegen door de oplopende temperatuur. Hoe tel je een grote groep vogels? Neem een groepje van bv 5 0f 10 vogels in gedachte en pas deze af op de hoeveelheid van een groep vliegende of zittende vogels, naar mate de groep groter is verhoog de basis aantallen naar bv 25 of 50 exx.. Door oefening zul je zien dat het werkt. Probeer een telling boven het luchtruim van je tuin of balkon. Je hebt nog twee weken de kans om Gierzwaluwen te tellen, eind juli vertrekken ze -van de ene op de andere dag- richting Zuid- Europa eindstation Afrika.

Wantsenonderzoek.

Afgelopen week zijn alle wantsen vangsten vanaf augustus 2009 tot heden juli 2020 gevalideerd door de wantsenspecialist van waarneming, de medewerker is ook verbonden aan EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden. Op de totaal wantsenlijst van de Natuurtuin ‘De Robbert’ staan nu 102 soorten. De teller voor dit jaar tot 19 juli 2020 staat op 80 wantsensoorten.

Op 20200625 heb ik een nieuwe wantsensoorten gevangen in de Natuurtuin. Dit is de nieuwe aanwinst de:

Pijpenstrootjecapsus (Capsus pilifer)Pijpenstrootjecapsus Capsus pilifer (Remane, 1950)

Onderfamilie Mirinae. Tribus Mirini. Genus Capsus. Capsus -soorten zijn grotendeels zwart en ovaalvormig (het mannetje is iets langwerpiger). Antennesegmenten 3 en 4 zijn veel dunner dan segment 2.

Herkenning:

  • 5-5,8 mm.
  • Langvleugelig (macropteer).
  • Zwarte antennen. Segment 2 is aan het eind verdikt (maar minder dan bij C. ater). Segment 3 is bij de basis licht.
  • Een geheel zwarte wants.
  • Zwarte poten. Schenen met ongeveer bij de basis (knie) een lichte ring (slecht zichtbaar).

Gelijkende soorten:

Capsus pilifer lijkt op Capsus ater. (Belgie: Capsus ater )

Verschillen:

  • Capsus pilifer : antennesegment 2 is aan het eind verdikt (maar minder dan bij C. ater ). Capsus ater : antennesegment 2 is aan het eind sterk verdikt (dubbel zo dik).
  • Capsus pilifer : een geheel zwarte wants. Capsus ater : kop en halsschild (pronotum) zijn zwart, maar kunnen bij de vrouwtjes ook roodachtig bruin zijn.
  • Capsus pilifer : monofaag op pijpenstrootje ( Molinia caerulea ). Capsus ater : allerlei grassoorten.
  • Capsus pilifer : zwarte poten. Schenen met ongeveer bij de basis (knie) een lichte ring (slecht zichtbaar). Capsus wagneri : zwarte poten. Schenen met ongeveer in het midden een lichte ring. Poten soms roodachtig behalve het onderste stukje van de schenen en de tarsi (voeten). Geheel zwarte poten zijn ook mogelijk.
  • Capsus pilifer : monofaag: Pijpenstrootje ( Molinia caerulea ). Capsus wagneri : hoge grassoorten.

Voorkomen: in Nederland een zeldzame oostelijke soort. Palearctisch: Europa, Azie (Centraal-Azie, Siberie, China, Korea, Japan). (Kerzhner & Josifov 1999, Aukema et al. 2013).

Biotoop: min of meer vochtige vergraste heideterreinen en bosranden.

Ontwikkeling: volwassen wantsen vanaf begin juni tot midden augustus. Een generatie per jaar.

Overwintering: als ei.

Voedsel: monofaag op pijpenstrootje ( Molinia caerulea ).

Een andere nieuwe wants die ik op 20200706 aantrof in de Natuurtuin is de:

Sporkehoutschaduwwants (Apolygus rhamnicola)Sporkehoutschaduwwants Apolygus rhamnicola (Reuter, 1885) is een wants uit de familie van de blindwantsen (miridae). De soort werd het eerst wetenschappelijk beschreven door Reuter in 1885.

Herkenning:

  • 5,4-6 mm.

  • De ovale wants is Langvleugelig (macropteer).

  • Geelachtig roodbruine antennen. Antennesegment 2 is distaal zwart, segmenten 3 en 4 zijn donker.

  • Een glanzend roodbruine wants met een fijne lichte beharing.

  • Schildje (scutellum) soms wat geelachtig.

  • Van de voorvleugels is de cuneus (uiteinde van het hoornachtig deel v.d. voorvleugel) ook roodbruin (bij het binnenhoekpunt vaak donker). Het membraan (vliezig deel v.d. voorvleugel) is bruinachtig met lichte aders.

  • Geelachtig roodbruine poten.

Gelijkende soorten:

Beschijving van de andere Apolygus -soorten.

Voorkomen: in Nederland gewoon, niet langs de kust, op de waddeneilanden en in Flevoland. Europa (Kerzhner & Josifov 1999, Aukema et al. 2013).

Biotoop: bosranden, houtwallen.

Ontwikkeling: volwassen wantsen vanaf eind mei tot in september. Een generatie per jaar.

Overwintering: De soort overwintert als eitje en kan van mei tot september gevonden worden op sporkehout (Rhamnus frangula). Er is een enkele generatie per jaar.

Voedsel: fytofaag: Sporkehout ( Rhamnus frangula ).

 

Op dit moment zitten we midden in het top-seizoen van het wantsen onderzoek. Vandaag zaterdag 202007018 opzoek met klopscherm, zoeken door en rondom de Natuurtuin. Het leverde 7 nieuwe wantsensoorten op:

Meidoornnetwants Physatocheila dumetorum (Herrich-Schaeffer, 1838)

Kleefkruidgraafwants Legnotus limbosus (Geoffroy, 1785)

Populierenblindwants Sthenarus rotermundi (Scholtz, 1847)

Mijtenblindwants Compsidolon salicellum (Herrich-Schäffer, 1841)

Snuitkeverschildwants Arma custos (Fabricius, 1794)

Gewone mierwants Pilophorus perplexus Douglas & Scott, 1875

Cardiastethus fasciiventris (Garbiglietti, 1869)

Een drie tal soorten van deze bovenstaande soorten plaats ik in deze nieuwsbrief. De opvallendste in dit rijtje is de:

Meidoornnetwants (Physatocheila dumetorum)Meidoornnetwants Physatocheila dumetorum een netwants.

Netwantsen zijn fraaie wantsen die makkelijk te herkennen zijn aan hun netvormige aderpatroon. Het zijn daarnaast de enige wantsen, waarbij het schildje geheel bedekt wordt door het halsschild, waarbij het laatste naar achteren verlengd is en ongeveer een derde tot de helft van het achterlijf bedekt. Bij sommige soorten (vooral Agramma laetum ) is de aderstructuur heel dicht en de cellen heel klein, waardoor ze bij lage vergroting niet opvallen. Piesmatidae vertonen een vergelijkbare structuur van aders en cellen, maar zijn makkelijk van netwantsen te onderscheiden, doordat het halsschild niet naar achteren toe verlengd is en het scutellum vrijlaat.

Netwantsen zijn fytofaag en leven van plantensap, dat ze met hun zuigsnuit uit planten zuigen. Een deel van de soorten leeft van mossen (bijvoorbeeld Acalypta ), maar het merendeel van vaatplanten. Sommige soorten zijn sterk afhankelijk van een plantensoort (bijvoorbeeld Dictyla humuli op smeerwortel) of een familie ( Physatocheila confinis & dumetorum op Rosaceae ), terwijl anderen van een breed scala aan planten leven.

Physatocheila dumetorum is vanaf een foto moeilijk te onderscheiden van een Physatocheila confinis.

Herkenning

2,8-3,0 mm. De soorten van het geslacht Physatocheila zijn te herkennen aan de brede omgeslagen randvelden van het halsschild. De drie lijsten op het borststuk lopen door tot aan de voorrand van het borststuk; bij het oppervlakkig gelijkende geslacht Dictyla lopen de twee buitenste lijsten maar tot halverwege. Het soortenpaar confinis & dumetorum onderscheidt zich van de andere twee soorten van het geslacht Physatocheila door het randveld van de vleugels, dat maar twee rijen dik is (drie of meer bij costata en smreczynskii ). Het onderscheid tussen confinis en dumetorum is in West-Europa problematisch.

Voorkomen

Zeldzaam in de zuidelijke helft van Nederland met enkele waarnemingen meer noordelijk in Noord-Holland (ook op Texel).

Biotoop

Leeft op bomen uit de familie Rosaceae , o.a. meidoorn. Heeft mogelijk een voorkeur voor bomen begroeid met korstmossen.

Fenologie adult

Adulten zijn het gehele jaar te vinden en zijn in Nederland waargenomen van april tot oktober.

Bronnen:

Tekst overgenomen uit: Soortzoeker Netwantsen Nederland, Naturalis Biodiversity Center.

Kleefkruidgraafwants (Legnotus limbosus)Kleefkruidgraafwants Legnotus limbosus (Geoffroy, 1785):

Herkenning - 3,5-4,5 mm. Door zijn kleine formaat, de doorns op de poten, het geheel zwarte lijf met de lichte zomen langs het corium en de afwezigheid van de doorntjes op de voorrand van de kop alleen te verwarren met Legnotus picipes. Bij L. limbosus loopt de lichte zijrand van het corium tot bijna aan het membraam en is de tylus korter dan de voorrand van de kop.

Voorkomen - Algemeen, verspreid in de duinstreek en op de binnenlandse zandgronden, maar zeldzaam in het noorden van het land.

Biotoop - Leeft op en onder kleefkruid Galium aparine.

Fenologie adult - Overwintert als adult en kan nagenoeg het gehele jaar als volwassen dier worden aangetroffen, maar wordt verreweg het meeste in het voorjaar gevonden.

Populierenblindwants (Sthenarus rotermundi)Populierenblindwants Sthenarus rotermundi (Scholtz, 1847)

Familie Miridae - blindwantsen: een opvallende eigenschap van blindwantsen is het ontbreken van puntogen ocelli), waarvan veel wantsen (niet alle) er twee of drie op de kop hebben (vandaar de naam blindwants voor de Miridae).

Onderfamilie Phylinae. Tribus Phylini. Genus Sthenarus.

Herkenning:

  • 3,4-4,2 mm.

  • Langvleugelig (macropteer).

  • Lichtgele antennes.

  • Een witachtig of geelachtig grijze wants. Met zilverkleurige lange haren samen met witachtige haren. Ovaal van vorm.

  • De voorvleugels met op het corium (hoornachtig deel v.d. voorvleugel) donkere lengtestrepen. De cuneus (uiteinde van het hoornachtig deel v.d. voorvleugel) is vaak rood met witachtige randen.

  • Geelachtige poten. Dijen en schenen vaak gedeeltelijk rood. Op de schenen zwarte stippen met daarop stekels.

Voorkomen: in Nederland algemeen. Palearctisch: Europa, Azie: Midden- Oosten, Kaukasus. (Kerzhner & Josifov 1999, Aukema et al. 2013).

Biotoop: houtwallen, parken en tuinen.

Ontwikkeling: de volwassen wantsen worden waargenomen van midden mei tot eind augustus. Een generatie per jaar.

Overwintering: als ei.

Voedsel: zoofytofaag. __ Witte abeel Populus alba , grauwe abeel Populus x canescens , ratelpopulier Populus tremula.

De volgende keer behandel ik de andere nieuwe Wantsensoorten die afgelopen zaterdag gevonden zijn.

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ in de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel.

Natuurjaar- 15, Zomer in de Natuurtuin ‘De Robbert’.

Vandaag: Vogels, Vlinders en Libellen tellen met vernieuwde LiveAtlas App, en Bladvlooien.

Zaterdag (2020-07-11), Vanmorgen als ik bij de Natuurtuin aankom is Stan al bezig met het knippen van de heg nabij de ingang. Als ik de fiets neerzet bij de werkschuur, komt Kees aangelopen met een boekwerkje. Het is een Bedankboekje van de kinderen -klas 4 van de Vrije School- n.a.v. de natuur morgen van afgelopen woensdag in de Natuurtuin. Zie dat de verschillende verhalen die verteld zijn kleurrijk opgetekend staan in het boekje. Het doet wat met me, als ik zie hoe alle kinderen hun natuurbeleving van die morgen hebben uitgedrukt in een tekening. Bijvoorbeeld het verhaal van de Wilde Lijsterbes Sorbus aucuparia dat ik aan de kinderen heb verteld. Door de toenemende opwarming van de aarde reageren planten, struiken en bomen op te hoge temperatuur voor leefomstandigheden. Op den duur kan dit nadelig uitwerken voor de plantensoorten, wordt ook wel “Hittestress” genoemd.

Alle tekeningen die in het boekje staan krijgen een ere-plekje op de website van de Natuurtuin De Robbert onder het hoofdstuk En, hoe was het?

Lijsterbes (Sorbus aucuparia)
tekening leelring vrije school helmond

Vanmorgen in de vroege ochtend heb ik eerst enkele foto’s genomen -o.a. bovenstaande Lijsterbes- in de Natuurtuin. Daarna heb ik de vernieuwde App van de LiveAtlas uitgeprobeerd – In de tellijst zijn nu ook de Dagvlinders en Libellen- toegevoegd. Je komt ogen, oren en een hand te kort als je alles wil bijhouden en verwerken wat in je omgeving zit en fluit. Natuurlijk is het ook een stukje gewenning, maar als het top druk is -met een vogel en insecten piek- dan moet je keuzes maken. Uiteindelijk is het een ‘vogel’tel App dus …. je kiest automatisch eerst voor de Vogelsoorten en aantallen. Na een uurtje tellen zijn er; 18 vogelsoorten, 10 dagvlinders en 4 Libellen geteld. Door regelmatig te tellen in de Natuurtuin zie je wat het aantal en soorten en verloop is, in de seizoenen van het Jaar.

Rond een uur of tien warmt het goed op en de zon schijnt volop. Ondertussen is de dauw op het groene struweel opgedroogd en kan het insectenonderzoek met klopscherm beginnen. Een veel voorkomende wants nu in het zomerseizoen is de: Zwartknieblindwants, kom deze tegen op de Els. Heb wel eens een foto van een nimf/larve laten zien in deze rubriek.

Zwartknieblindwants (Blepharidopterus angulatus)Zwartknieblindwants Blepharidopterus angulatus (Fallén, 1807). Familie Miridae - blindwantsen: een opvallende eigenschap van blindwantsen is het ontbreken van ocelli (puntogen), waarvan veel wantsen (niet alle) er twee of drie op de kop hebben (vandaar de naam blindwants voor de Miridae).

**Onderfamilie Orthotylinae. Tribus Orthotylini. Genus Blepharidopterus.

Let op de ‘zwarte’ knie gewrichten.

Herkenning:

  • 4,8-5,9 mm.

  • Langvleugelig (macropteer).

  • Geelbruine antennen. Segment 2 met bij de basis en top een donkere ring. Segmenten 3 en 4 donkerder.

  • Een groene of blauwgroene wants met zwarte haartjes. Langwerpig van vorm.

  • Groen halsschild (pronotum) met een zwarte achterrand bij de hoekpunten.

  • Groene voorvleugels met een zwarte streep aan de binnenkant en een zwarte streep tussen de cuneus (uiteinde van het hoornachtig deel v.d. voorvleugel) en het membraan (vliezig deel v.d. voorvleugel). Het membraan is kleurloos met twee donkerder vlekken.

  • Groene poten met zwarte bovenkant van de schenen ('knieen'). Schenen met stekels.

Voorkomen: in Nederland zeer algemeen. Palearctisch: Europa, Noord- Afrika, Azie tot in het Verre Oosten. Na versleping in Noord-Amerika (Kerzhner & Josifov 1999, Aukema et al. 2013).

Biotoop: bosranden, houtwallen, boomgaarden, parken, tuinen. Op loofbomen.

Ontwikkeling: de volwassen wantsen worden waargenomen van mei tot in oktober. Een generatie per jaar.

Overwintering: als ei.

Voedsel: zoofytofaag: Sap uit loofbomen als appel ( Malus sp.), berk ( Betula sp.), els ( Alnus sp.), hazelaar ( Corylus avellana ). Maar ook spintmijten (Teranychidae), bladluizen (Aphidoidea en bladvlooien (Psylloidea).

Appelsprietwants (Atractotomus mali)Appelsprietwants Atractotomus mali (Meyer-Dür, 1843)

Familie Miridae - blindwantsen: een opvallende eigenschap van blindwantsen is het ontbreken van ocelli (puntogen), waarvan veel wantsen (niet alle) er twee of drie op de kop hebben (vandaar de naam blindwants voor de Miridae).

Onderfamilie Phylinae. Tribus Phylini. Genus Atractotomus.

Genus Atractotomus : zwarte of zwartbruine wantsen met schubachtige gouden of zilveren haren. Antennesegment 2 is bij de vrouwtjes verdikt. Soorten, die veel op elkaar lijken.

Herkenning:

  • 3-3,6 mm.

  • Langvleugelig (macropteer).

  • De antennesegmenten 1 en 2 zijn zwart. Segment 1 is dunner bij de basis. Segmenten 3 en 4 zijn witachtig en dun. Segment 2 is spoelvormig verdikt (man, vrouw), bij het vrouwtje wat sterker verdikt.

  • Een zwarte of zwartbruine (zelden roodachtige (net uitgeslopen)) wants. Glanzende, geelachtige, schubachtige haren met daartussen zwarte haren. Langwerpig ovaal of ovaal van vorm.

  • Aders op het membraan (vliezig deel v.d. voorvleugel) zijn meestal witachtig.

  • Zwartbruine dijen en geelbruine, grijswitte schenen met zwarte stekels, maar zonder zwarte vlekjes.

Voorkomen: in Nederland algemeen. Palearctisch: Europa, Azie (het Midden- Oosten). Na versleping in Noord-Amerika. (Kerzhner & Josifov 1999, Aukema et al. 2013).

Biotoop: boomgaarden, bosranden houtwallen, parken en tuinen op houtige Rosaceae.

Ontwikkeling: de volwassen wantsen worden waargenomen van eind mei tot in september. Een generatie per jaar.

Overwintering: als ei.

Voedsel: zoofytofaag: houtige Rosaceae. Vooral appel ( Malis sp. ) en meidoorn ( Crataegus sp.). Incidenteel op braam, peer, prunus en roos. Naast sap ook honingdauw, insecten als bladluizen (Aphidoidea) en rupsjes van lichtmotten (Pyralidae) en mijten (Acari).

BLADVLOOIEN (Psylloidea).

Even na Twaalven in de middag zie ik op het ‘witte doek’ een groen insect zitten. Als ik goed kijk is het geen wants maar een Elzenbladvlo. Verwant aan Bladluizen zijn Bladvlooien, Witte vliegen (Aleyrodidae) en Wol-, Dop- en Schildluizen (Coccidae). In totaal komen van deze insecten van deze insectenfamilies 124 soorten in Nederland voor.

Elzenbladvlo Psylla alniElzenbladvlo Psylla alni

De bladvlooien (Psyllidae) vormen een familie uit de ordeder halfvleugeligen (Hemiptera).

Kenmerken:

Deze insecten hebben 2 paar ovale vleugels, die in rust dakpansgewijs op het achterlijf worden gevouwen. Ze hebben meestal een groene of bruine kleur. De lichaamslengte varieert van 1,5 tot 5 mm.

Leefwijze:

Het voedsel van dit dier bestaat in hoofdzaak uit plantaardige kost. Ze kunnen heel goed springen dankzij hun lange voorpoten, maar vliegen kunnen ze ook. Ze gebruiken meestal maar één waardplant. Ze scheiden, net zoals bladluizen, honingdauw af, die ze in was verpakken.

Voortplanting:

De gesteelde eieren worden in de voedselplant afgezet.

Verspreiding en leefgebied:

Deze familie komt wereldwijd voor op stengels, bladen en bast van kruiden, struiken, bomen en landbouwgewassen.

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ in de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel.

Natuurjaar Tussendoortje-7, Zomer in de Natuurtuin ‘De Robbert’.

Insecten wereld -Wantsen en Sprinkhanen- in de Natuurtuin.

maandag (2020-07-06), Vanmiddag even voor enen naar de Natuurtuin, Op zoek naar insecten met het klopscherm. Als ik de ‘groene’tuin binnen stap en mijn fiets wegzet is het gras door Stan al gemaaid en bijeen geharkt. Dan laat Stan me een rups zien -wit/zwart gekleurd met gele stippen- zat op het Helmkruid. We lopen even naar de plant het Helmkruid (Scrophularia) en ik maak een foto. Het is voor mij de eerste waarneming van deze opvallende kleurrijke Nachtvlinderrups (1). Evenlater tijdens het de onderzoeksronde zie ik een Micromus variegatus op het ‘witte doek’ het is een Gaasvliegsoort (2).

 

Helmkruidvlinder (Cucullia scrophulariae)1-Helmkruidvlinder Cucullia scrophulariae (Denis & Schiffermüller, 1775)

De helmkruidvlinder is een nachtvlinder uit de familie van de nachtuiltjes. De spanwijdte bedraagt tussen de 44 en 50 millimeter. De halskraag van de vlinder is behaard, waardoor het lijkt of de vlinder een kapje op heeft. De vlinder vliegt van half mei tot half juli. Per jaar komt één generatie voor. Het verspreidingsgebied beslaat heel Nederland, maar de vlinder komt vooral voor op de zandgronden van Gelderland en de Utrechtse heuvelrug langs bosranden, open plekken in het bos en soms bermen. De voorvleugels zijn licht roodachtig bruin, aan de voorrand bruin en aan de achterrand witachtig. De eitjes worden afgezet op bloemknoppen en bloemen. De tot 50 mm lange rupsen zijn vanaf half juni tot half augustus te vinden. De rups is bleek blauwachtig grijs of witachtig groen met op elk segment drie gele ringen en zwarte vlekjes. De rupsen vreten aan de bloemknoppen, bloemen en onrijpe vruchten en pas als deze niet meer voorhanden zijn wordt aan de bladeren gevreten. Ze verpoppen zich op de grond in een dikwandige cocon. De poppen kunnen meerdere winters overwinteren. De rupsen hebben als waardplanten helmkruidachtigen zoals gevleugeld helmkruid, knopig helmkruid en melige toorts. (W)

 

Micromus variegatus 2-Micromus variegatus (Fabricius, 1793)

Micromus variegatus is een insect uit de familie van de bruine gaasvliegen (Hemerobiidae), die tot de orde netvleugeligen (Neuroptera) behoort. Ongeveer 20 soorten komen voor in België en Nederland. De soort komt voor in een groot deel van het Palearctisch gebied. De soort is in 1988 ook voor het eerst aangetroffen in Canada en werd elders in Canada in 2009 opnieuw aangetroffen. Het betreft vermoedelijk adventieven. Micromus variegatus is voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Fabricius in 1793. (W)

Tijdens het zoeken naar insecten zien ik vele verschillende kleine nog niet volgroeiende wantsen vallen op het klopscherm. Deze larven/nimfen vervellen 4 á 5 keer voordat ze volwassen zijn. Hieronder heb ik 3 wantsensoorten naast elkaar op een rij gezet. Kijk hoe fragiel ze zijn, die pootjes en antennes. De zomer is in volle gang met al dat jonge grut, er valt nog veel te ontdekken in de ‘Groene’Tuin.

Zuringrandwants
Smalle randwants
Grauwe schildwants

Zuringrandwants

Smalle randwants

Grauwe schildwants

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ in de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel

Natuurjaar- 14, Zomer in de Natuurtuin ‘De Robbert’.

Vandaag: Vogels- en Vlindertuintelling 2020

Zaterdag (2020-07-04), Vanmorgen als de temperatuur nog beneden de 17 graden C is, eerst een LiveAtlas telling uitgevoerd. Alle vogels die je ziet en hoort zingen in, om en boven de Natuurtuin tellen we. Boven ons zien we eerst één Gierzwaluw rondvliegen. Even later als we 25 meter doorgelopen zijn kom er nog acht Gierzwaluwen aanvliegen. Vraag Stan waar is het Zuiden?, en hij geeft me de richting aan “die kant op’ dan zwenkt hij met zijn linkerarm. Nu de jonge vogels zijn uitgevlogen en bijna zelfstandig zijn, gaan de oude vogels samen op trek, richting het Zuiden De lange reis is begonnen -even later nog een clubje van zes vogels- allemaal vliegen ze dezelfde kant op, zwierend en draaiend op de windstromen, richting Zuid. Als ik het telrondje gelopen heb en de telling afsluit, kijk ik nog even rond de tuin in. Onder tussen komt Wil ook binnen vallen en samen loopt hij met Stan de tuin in. Dan zie ik opeens een ‘biddende’ vogel van ca. 10-12 cm groot -stilstaan in de vlucht- speuren boven het natte kleine poeltje. Als ik mijn fotocamera met telelens gepakt heb en door de zoeker kijk, schiet hij/zij als een pijl uit de boog snel naar links, zie van hem/haar nog net de turquoise blauw gekleurde rug partij. Dat kan maar een vogel zijn die zo mooi gekleurd is, het is de:

IJsvogel (Alcedo atthis)

IJsvogel (Alcedo atthis) (Linnaeus, 1758) IJsvogels zijn met hun blauwe en oranje kleuren een van onze meest opvallende en kleurrijke vogels. Toch worden ze vaak eerst ontdekt op hun geluid en kan het vaak een tijd duren voordat men ze te zien krijgt. Ze zijn vaak rusteloos en vliegen vaak direct weg als men te dicht in de buurt komt. Veel meer dan een blauwe flits die laag over het water vliegt, zal men dan niet zien. Om ze wat langduriger te zien te krijgen, loont het vaak om overhangende takken met een verrekijker af te speuren op een plek waarvan men weet dat er ijsvogels voorkomen. IJsvogels broeden in steile wanden, bijvoorbeeld in het met zand omgeven wortselstelsel van een omgevallen boom. Ze graven een lange nestgang in deze wand (vaak tot wel 1 meter lang).

Vandaag is de 12e Landelijke Tuinvlindertelling gestart, van: 4 t/m 26 juli 2020.
Tel de vlinders die je ziet in jou tuin, doorgeven via de link: https://www.vlinderstichting.nl/vlindermee/app-vlinder-mee

Download die handige vlindertel-apps. Help de Vlinderstichting! Je mag zo veel tellingen invoeren als je wil. Vind je het leuk om in een andere tuin te tellen? Maak dan een nieuwe tuin aan. Deze vlindersoorten zagen wij vanmorgen in de Natuurtuin, morgen kan het door het weer, weer anders zijn. Welke soorten zie jij in je tuin??

Bont zandoogje (Pararge aegeria)
Groot dikkopje (Ochlodes sylvanus)
Koevinkje (Aphantopus hyperantus)

Bont zandoogje

Groot dikkopje

Koevinkje

In september 2015 is er een nieuwe vlinder in Nederland bijgekomen. Het eerste Scheefbloemwitje Pieris mannii werd bij het Fort Sint Pieter bij Maastricht waargenomen door Pieter Vantieghem. Een nieuwe dagvlindersoort voor Nederland. Aan welke kenmerken herken je dit nieuwe witje:

kenmerken scheefbloemwitje

Het Scheefbloemwitje is in Helmond en Helmond - Mierlo-Hout (Noord-Brabant) al waargenomen. Op welke lokatie zit de bijna witte vlinder nu nog meer? Voer m’n in op waarneming.nl dit jaar van april t/m juni zijn al zes waarnemingen ingevoerd. Succes met vlinderen in je “groene’ tuin of berm.

uil
braakbal uil

Onlangs is een (jonge) Kerk- of Bosuil gesignaleerd in de Natuurtuin. Eind 2019 is al eens een paartje Bosuil Strix aluco vastgelegd door de opname van hun roep. Vanmorgen stonden we nabij de ‘plaats van het delict’ na te praten welke soort Uil het nu is. Toen mijn ‘oog viel’ op een braakbal die bovenop een stobbe zie (bovenstaande foto) door een vogel is neergelegd, de vraag is nu van welke (Uilen)soort is deze braakbal?

Op de onderstaande braakballenposter zou je zeggen -qua vorm en grootte van de braakbal- Steenuil Athene noctua, ook omdat de vorm van een braakbal van een Kerkuil Tyto alba veel ronder is. Wie het weet en aanvullende informatie heeft laat het ons weten.

Wat is een Braakbal?

Zoals iedereen waarschijnlijk wel weet produceren uilen af en toe een braakbal. Uilen hebben geen tanden. Ze slikken hun prooi in een keer in. De haren en botjes van hun prooi kunnen niet verteerd worden en worden daarom uitgebraakt. Dit zijn de zogenaamde uilenballen. Maar er zijn nog meer vogelsoorten die braakballen produceren.

braakballen poster

Braakballen bevatten allerlei onverteerbare resten van het voedsel dat vogels eten.

Om de zoveel tijd, dit is sterk afhankelijk van de vogelsoort en het voedsel, wordt er een braakbal gevormd die op een gegeven ogenblik uitgespuugd wordt. De inhoud van een braakbal is geheel afhankelijk van het gegeten voedsel. Een uil eet vooral muizen, dus zullen daar haren en botjes (ook schedeltjes en kaakjes) van inzitten. Ook kunnen er andere 'harde' lichaamsdelen zoals nagels of snaveldelen van vogeltjes in zitten. Soms worden er ook ringen van kleine vogeltjes in een braakbal gevonden. Er zijn ook vogels die insecten eten. Dan zullen we de harde dekschildresten in hun braakbal aantreffen.

Zoals op de (geleende) poster te zien is; zijn er meerdere vogelsoorten die een braakbal produceren. Je zou kunnen zeggen dat onverteerbaar voedselresten uitgespuugd worden door de vogels. Dat kunnen bij Roofvogels en Uilen; haren, botjes etc. zijn. Bij viseters b.v. reigerachtigen; graten en schubben en dergelijke zijn. Ook van de Grauwe klauwier en Klapeksters is bekend dat zij de dekschilden van kevers en onverteerbare delen van prooien b.v. Kikkers en Hagedissen uitspugen.

Kraaiachtigen produceren een kleine braakbal -je zou het bijna niet zeggen- maar ze eten vruchten. De braakbal lijkt op een balletje van twee centimeter doorsnede. Bestaande uit pitjes van bessen of bramen. De kraai blijkt dus ook een vruchteneter en niet alleen een rover van jonge vogels.

IJsvogels produceren ook braakballen. Deze bestaan uit visgraatjes en kunnen zo'n drie cm lang en één cm dik zijn, met een nagenoeg witte kleur. Je zou zeggen dat zo'n klein vogeltje toch flink last moet hebben van dit steeds terugkerende braken.

De braakballen van ijsvogels worden overigens maar zelden gevonden omdat de vogel graag op een tak boven het water mag zitten. De braakbal verdwijnt vaak in het water.

Op de website van het IVN-Geysteren is een overzicht van braakballen gegeven van diverse Vogelsoorten, klik op de link:

https://www.ivn-geysteren-venray.nl/Lezing%20Braakballen.htm

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ in de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel.

 

Voorjaar Start-13, Zomer in de Natuurtuin De Robbert.

Vandaag: IVN -jeugd op bezoek, slootjesdag

Zaterdag (2020-06-27), Vanmorgen een leuke groep IVN jeugd in de Natuurtuin om waterdiertjes te scheppen. Verschillende amfibieën en insectensoorten zijn vanmorgen boven water gehaald door de gemotiveerde natuur onderzoekertjes. Naast de vele Bootsmannetjes, kikkervisjes, en Libellen- en Jufferlarven, was een opvallende vangst te melden nl. een larve van de Tuimelaar Cybister lateralimarginalis (De Geer, 1774) nee niet dat zoogdier maar een insect.

De tuimelaar (Cybister lateralimarginalis)
De tuimelaar (Cybister lateralimarginalis)
De tuimelaar (Cybister lateralimarginalis)

Larve

Kop

Staart

De tuimelaar (Cybister lateralimarginalis) is een kever uit de familie waterroofkevers (Dytiscidae).

De kever wordt ongeveer 30 tot 37 millimeter lang en heeft een donkergroene kleur aan de bovenzijde net een metaalachtige glans. De onderzijde is lichtgeel en enigszins doorschijnend. De kever kan verward worden met de Geelgerande waterkever maar heeft zijn breedste deel van het lichaam meer naar achteren en is platter.

De tuimelaar leeft van kleine waterinsecten die in onderwater worden gevangen en gegeten. Ook de larve is zeer vraatzuchtig, de garnaal-achtige larven zuigen de prooi leeg. De tuimelaar komt verspreid over het Palearctisch gebied voor.

Staafwants (Ranatra linearis)

Elk waterdiertje werd aandachtig bekeken en zo nodig van aanvullende informatie voorzien door de begeleiders. Deze staafwantsen stonden ook in de belangstelling van de IVN jeugd. Een niet alledaagse verschijning deze:

Staafwants Ranatra linearis (Linnaeus, 1758):

Algemeen waterinsect. De voorpoten zijn tot grijporganen ontwikkeld en hiermee kunnen ze prooi grijpen die langszwemt.

De volwassen dieren zijn 30-35 mm lang (zonder adembuis). De volwassen dieren hebben ontwikkelde dekvleugels, die het achterlijf bedekken en hebben twee adembuizen, die meestal tegen elkaar aangeplakt zitten, waardoor het er een lijkt. De nimfen hebben geen ontwikkelde vleugels en hebben een enkele adembuis. De volwassen dieren kunnen vliegen maar dat wordt slechts zelden waargenomen. Slechte zwemmers, dicht bij de oever, dicht onder het wateroppervlak. De ademlucht wordt ververst via twee adembuizen (vaak tegen elkaar als een buis) aan de achterkant van het lichaam. Het zijn roofdieren, die meestal afwachten tot de prooi binnen bereik is. De voorpoten hebben de vorm van grijpers. In Europa twee soorten/genera.

Ook voor deze Waterschorpioen Nepa cinerea Linnaeus, 1758 was veel belangstelling. Zowel de kleine larve (Juveniel) als het volwassen dier (adult) werd aandachtig bestudeerd.

Waterschorpioen (Nepa cinerea)
Waterschorpioen (Nepa cinerea)

Nepidae (Waterschorpioenen en Staafwantsen)

Slechte zwemmers, dicht bij de oever, dicht onder het wateroppervlak. De ademlucht wordt ververst via twee adembuizen (vaak tegen elkaar als een buis) aan de achterkant van het lichaam. Het zijn roofdieren, die meestal afwachten tot de prooi binnen bereik is. De voorpoten hebben de vorm van grijpers. In Europa twee soorten/genera.

Herkenning:

  • 12-23 mm zonder adembuis.

  • Langvleugelig (macropteer), maar weinig met funcionerende vliegspieren.

  • Lichaam is plat en breed. Van achteren uitlopend op een punt. Een kleine verzonken kop met kleine, uitpuilende ogen.

  • Een as bruine kleur. Het achterlichaam onder de vleugels is grotendeels rood.

Ook voor de bootsmannetjes was de belangstelling groot. Normaal als je ziet zwemmen in sloot of plas is de schutkleur boven en de kleurrijkste zijde onder.

Zwart bootsmannetje (Notonecta obliqua)

Zwart bootsmannetje Notonecta obliqua Thunberg, 1787 Notonectidae (Bootsmannetjes)

Een omvangrijke kosmopolitische familie. In Nederland en Belgie komt daarvan alleen het genus Notonecta voor met zes soorten. Ook wel rugzwemmers genoemd, omdat ze met hun buik naar boven zwemmen. Het zijn uitstekende zwemmers en vliegers, maar bewegen zich onbeholpen op het land. Het zijn roofdieren met allerlei prooien ook insecten, die in het water zijn gevallen. Ze jagen hun prooi actief na.

Ze komen naar het wateroppervlak om hun voorraad lucht aan te vullen. Die toevoer van lucht wordt voor het grootste deel aan de buikkant tussen haartjes opgeslagen. Door die grote voorraad lucht zijn ze licht en drijven ze naar boven als ze niet zwemmen of zich vasthouden.

Bootsmannetjes zijn vaak vanaf foto's te determineren, maar alleen als de rug is gefotografeerd. Dus niet vanaf foto's van de buikzijde. Zet a.u.b. die foto's bij Notonecta spec. Nimfen (geen ontwikkelde dekvleugels) zijn ook niet te determineren.

Kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris)

Kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris)

De kleine watersalamander is de algemeenste watersalamander van Nederland die alleen in gebieden met brak water en in extreem zure milieus ontbreekt. De voorkeurshabitat bestaat uit min of meer kalkrijke, voedselrijke en zoete wateren die zijn omgeven door terrein met begroeiing en andere dekking waarin de landfase kan worden doorgebracht. De kleine watersalamander is in Nederland niet bedreigd en heeft zich enigszins aan de verstedelijking kunnen aanpassen. Deze nog niet volgroeide Kleine watersalamander (larve) heeft nog uitwendige kieuwen.

Bonte geelschild (Campyloneura virgula)

Afgelopen donderdag 20200625 mede door het mooie weer nog maar eens wantsen zoeken, fotograferen en vastleggen. In een struik met bessen kwam ik deze kleine wants tegen het:

Bonte geelschild Campyloneura virgula (Herrich-Schäffer, 1835)

Onderfamilie Bryocorinae. Tribus Dicyphini. Genus Campyloneura.

Onderfamilie Bryocorinae: wereldwijd zijn er wel tweehonderd geslachten in deze onderfamilie. Hier hebben we twee tribussen met zes geslachten.

Tribus Dicyphini: deze soorten zijn zoofaag en leven van kleine insecten en andere arthropoden.

Herkenning:

3,9-4,7 mm.

Langvleugelig (macropteer).

Antennesegment 1 is bij de basis lichtgeel en/of roodbruin. Segment 2 is zwartachtig. Segmenten 3 en 4 zijn wat lichter.

Een opvallend gekleurde wants. Zwarte kop. Een licht halsschild met roodgele of donkerbruine band in het midden en een grijsachtige band bij de achterrand. Een geel schildje (scutellum) met een roodgele basis met aan de zijkant donkere hoekpunten. Van de voorvleugels is de clavus (smal driehoekig vlak tussen schildje en hoornachtig deel v.d. voorvleugel) bruin. Van het geelachtige, transparante corium (hoornachtig deel v.d. voorvleugel) is de binnenrand bruin. Een gele cuneus (uiteinde van het hoornachtig deel v.d. voorvleugel) met een rood met zwarte punt.

Geelachtige poten.

Nimf: De groene nimf is klein maar toch opvallend door de rode banden om de antennes. Bij oudere nimfen ook een rode band om de achterdij. Verder loopt er een rode streep aan de zijkant vanaf de kop tot aan (bij oudere nimfen) de aanzet van de vleugels. De nimf is erg snel.

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ in de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel .

 

Voorjaar Tussendoortje-5, Zomer in de Natuurtuin ‘De Robbert’.

Insecten wereld -Wantsen en Sprinkhanen- in de Natuurtuin.

Dit jaar viel de Zonnewende 2020 op zaterdag 20 juni (23:43u) -nu gaan we weer de donkerder dagen tegemoet- op het noordelijk halfrond. De zonnewende (Latijn: solstitium oftewel zonnestilstand) is de gebeurtenis waarbij de zon, gezien vanaf de aarde, haar noordelijkste of zuidelijkste positie bereikt. De zon staat dan recht boven een van beide keerkringen: de Kreeftskeerkring in het noorden of de Steenbokskeerkring in het zuiden. Het middelpunt tussen beide punten wordt bereikt als de zon precies loodrecht boven de evenaar staat. Er is dan sprake van een equinox of dag-en-nachtevening. Dag en nacht zijn dan overal op aarde even lang.

Maandag (2020-06-22), Vanmorgen even na het bijeen harken van het gemaaide gras -door de leden van het tuinteam- arriveer ik in de Natuurtuin. Door nu met het klopnet de opgeruimde veldjes ‘na te zoeken’ heb je kans op bodemwantsen. Het weer werkt mee zonneschijn en de temperatuur loopt op. De eerste ronde langs de berm van het toegangspad naar de houtenbrug. Verschillende soorten insecten in het net. Aan het einde van de vangstsessies maak ik de balans op. De overzichtslijst van de wantsen tel ik 9 nieuwe soorten, een leuke aanwinst voor vandaag.

wantsenlijst waarneming.nl

De eerste soort in de lijst die op valt is de Lindespitskop. De eerste waarneming in Nederland dateert uit 2007. Toen zijn op een boomkwekerij in Sint-Oedenrode op 1 maart Lindenspitskoppen aangetroffen op kweekmateriaal van de Winterlinde afkomstig uit Bologna (Italië). In 2008 is de soort daar niet meer gevonden, zodat het aannemelijk is dat er geen vestiging heeft plaats gevonden (Aukema & Hermes, 2009).

Pas in 2016 wordt de wordt de volgende waarneming van de Lindenspitskop gedaan. Ditmaal in Limburg. Op 7 oktober treft Naomi Klunder in Heugem (Maastricht) 100.000 exemplaren op Winterlinde aan en in datzelfde jaar is de soort ook op lindenbomen in de directe omgeving waargenomen (Aukema et al., 2017).

Enige maanden voordat de soort in Midden- en Noord-Limburg werd opgemerkt, was de Lindenspitskop in Oost-Brabant al aan een opmars bezig. De eerste waarneming komt uit Helmond op 5 augustus 2018, gevolgd door waarnemingen in de maand september uit Mill, Eindhoven, Sint Hubert en Gastel, in oktober uit Aarle-Rixtel en in november uit Deurne. Op 31 december 2018 is de Lindenspitskop bekend uit in totaal zeven uurhokken in Oost-Brabant en vier uurhokken in Limburg (in Heugem was de soort toen weer verdwenen) (bron: Waarneming.nl, geraadpleegd 15 januari 2020).

Lindenspitskop Oxycarenus lavaterae (Fabricius, 1787)

Herkenning:

  • 4,8-6 mm.
  • Langvleugelig (macropteer).
  • Zwarte antennes.
  • Kop, halsschild (pronotum) en schildje (scutellum) zijn zwart.
  • Voorvleugels zijn rood, langs het schildje donker en hebben vaak een donkere vlek op het achterste deel voor het membraan (doorzichtig deel van de voorvleugels). Het membraan is glanzend, zilverachtig wit.
  • Zwarte poten.

De nimfen hebben een roodbruin achterlijf.

Lindenspitskop (Oxycarenus lavaterae )

Voorkomen: Een westmediterrane soort. Ook op het Arabisch schiereiland en in tropisch en zuidelijk Afrika. Na versleping nu ten noorden van de Alpen (Hongarije, Zwitserland, Oostenrijk, Zuid-Duitsland, noordelijk van Berlijn, maar ook in Parijs). Vermoedelijk door versleping met plantmateriaal van linde in combinatie met warmer wordende omstandigheden. In Nederland is de eerste waarneming in 2008 in Brabant (zonder blijvende vestiging). In 2016 een waarneming in Limburg. In Belgie zijn er meerdere waarnemingen in de omgeving van Kortrijk.

Biotoop: In het noorden op winterlinde..

Ontwikkeling: In mediterrane gebieden meerdere elkaar overlappende generaties in een jaar. Vaak in zeer grote aantallen.

Overwintering: Als volwassen wants en nimf.

nimfenstadia wantsen

Lindenspitskop, (Bron: natuurhistorisch maandblad)

boom vol lindenspitskoppen

Lindenboom, vol met Lindenspitskop stadiums

Kijk voor meer (achtergrond) informatie over alle waarnemingen van Flora en Fauna, Insecten en Sprinkhanen in de natuurtuin op de waarneming.nl site: klik op deze link website Helmond - Bundertjes Noord-Brabant; https://waarneming.nl/locations/15502/

Slanklijfsapwants (Ischnodemus sabuleti)

Slanklijfsapwants (larve/nimf) Ischnodemus sabuleti (Fallén, 1826)

Herkenning:

  • 4,1-5,9 mm.
  • Overwegend kortvleugelig (brachypteer), meestal met heel korte vleugels, een enkele keer met langere vleugels en soms langvleugelig (macropteer).
  • Zwarte antennen.
  • Een slanke, langwerpige wants.
  • De kop, het halsschild (pronotum) en het schildje (scutellum) zijn zwart. Het halsschild met lichtbruine hoekpunten verbonden door een smalle lichtbruine achterrand.
  • Een zwart achterlijf (abdomen) met lichtbruine voorvleugels met donkerbruine lijnen. Het membraan (doorzichtig deel) van de kortvleugelige wantsen is smal, bij de langvleugelige wantsen is het membraan zwart met lichtbruin en met donkerbruine aders.
  • Geelbruine poten. De dijen zijn voor een groot deel zwart

Voorkomen: In Nederland zeer algemeen in het binnenland, zeldzamer in de duinen en in het waddengebied. Europa, Het westelijk deel van Noord-Afrika, naar het oosten tot in Siberie en de Kaukasus.

  • Biotoop: In droge gebieden (als de duinen) en in vochtige gebieden.
  • Ontwikkeling: Anders dan bij veel wantsen duurt hun ontwikkeling twee jaar. Paring van de wantsen, die overwinterd hebben, is eind mei tot begin juli. De daaruit voortgekomen wantsen overwinteren als nimf, waarna ze pas het jaar daarna in juli hun laatste vervelling hebben tot volwassen wants.
  • Overwintering: De volwassen wantsen en nimfen overwinteren.
  • Voedsel: ** Het sap van grassen. In kustgebieden op duingrassen als helm ( Ammophila ) en kweek ( Elymus ). In het binnenland op vochtiger plekken vaak Vlotras ( Glyceria ) maar ook op Kanariegras ( Phalaris ), Phragmites of lisdodde ( Typha ). Struisriet ( Calamagrostis ) is ook mogelijk op drogere plekken.
Coremacera marginata

Andere insecten en een sprinkhaan in het klopnet zoals deze:

Coremacera marginata is een vliegensoort uit de familie van de slakkendoders (Sciomyzidae). De wetenschappelijke naam van de soort is voor het eerst geldig gepubliceerd in 1775 door Fabricius. 

Zwart wekkertje (Omocestus rufipes)

Zwart wekkertje Omocestus rufipes (Zetterstedt, 1821)

Kenmerken

Het Zwart Wekkertje is het donkere broertje van het Wekkertje. De tasters bij de kaken aan de top licht zijn en aan de basis zwart. Dit wit steekt als een 'tandpastaglimlach' tegen de donkere kop af. Uitgekleurde mannetjes van Zwart Wekkertjes zijn donkerbruin met een rood aangelopen achterlijf. De achtervleugels zijn verdonkerd. Vrouwtjes zijn vaak groen op de bovenzijde en bruin aan de zijkant. De kielen van het halsschild zijn duidelijk ingeknikt.

Voorkomen

Het Zwart Wekkertje komt vooral in het noord- en zuidoosten van Nederland op de heide voor. Daarbij concentreren ze zich op de overgang tussen vochtige en droge heide.

Het geluid wat deze sprinkhaan produceert doet zij naam eer aan: het geluid van een optimaal lopend uurwerkje. Luister maar……… https://waarneming.nl/media/sound/1917.mp3

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ in de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel

Voorjaar Start-12, Lente in de Natuurtuin ‘De Robbert’.

Vandaag: insecten op de Kale jonker en in de bloemrijke- /planten bordes.

Zaterdag (2020-06-13), Vanmorgen op weg naar de Natuurtuin. Een natuurfenomeen wat ik de laatste weken niet gezien heb zijn de regenplassen op de weg. Vannacht stevige regenbuien hebben het stof weggespoeld van de bladeren en weer kleur gegeven. Heerlijk fietsend door de frisse lucht, later op de dag loopt de temperatuur weer op. Vandaag ga ik eens kijken welke insecten op de stekelige bloemen zitten van de Kale jonker en in de bloemrijke/ planten bordes.

Kale jonker danica-g Flora Danica, Georg Christian Oeder e.a. (1761-1883)Kale jonker (Cirsium palustre)

Onder de distels die in onze contreien voorkomen valt de Kale jonker, Cirsium palustre, op door zijn stakerig uiterlijk. De tot soms 2 m hoog wordende planten hebben stengels die weinig vertakt zijn. Daardoor zijn ze lang en hebben bovenin een aantal hoofdjes met rode buisbloemen. Die bloeien in de zomer en worden door insecten bezocht die voor de bevruchting zorgen. Dat heeft tot de Nederlandse naam geleid. Kale jonker staat in vochtig tot zeer vochtige graslanden en in de vochtige randen van loofbossen.

De bladeren zijn lijn-lancetvormig tot bochtig veerspletig en met twee tot drielobbige slippen. Ze zijn van boven niet stekelig, maar de bladranden zijn dat wel.

De tweeslachtige buisbloemen zijn roodpaars en de Kale jonker bloeit de hele zomer van juni tot september.

 

 

 

 

 

 

 

Aardappelprachtblindwants (Closterotomus norwegicus)Aardappelprachtblindwants Closterotomus norwegicus (Gmelin, 1790)

Familie: Miridae - blindwantsen: een opvallende eigenschap van blindwantsen is het ontbreken van ocelli (puntogen), waarvan veel wantsen (niet alle) er twee of drie op de kop hebben (vandaar de naam blindwants voor de Miridae).

Onderfamilie: Mirinae. Tribus Mirini. Genus Closterotomus.

Herkenning: 7,4-8,6 mm.

Langvleugelig (macropteer).

Antennesegment 1 is groenachtig, segmenten 2, 3, en 4 zijn bruinachtig. Segment 2 is even lang als de segmenten 3 en 4 samen.

Een groene tot groengele wants met korte zwarte haren.

Het halsschild (pronotum) met twee soms ontbrekende zwarte stippen. Een groen schildje (scutellum) met soms aan de bovenkant twee zwarte vlekjes.

De groene tot geelgroene voorvleugels hebben soms roodbruine vlekken (twee vlekken in de lengte parallel met elkaar lopend). De clavus (smal driehoekig vlak tussen schildje en hoornachtig deel v.d. voorvleugel) soms roodbruin gekleurd. De cuneus (uiteinde van het hoornachtig deel v.d. voorvleugel) is lichtgroen of geelachtig groen. Het membraan (vliezig deel v.d. voorvleugel) is grijs met groene of gele aders.

Poten zijn geelachtig groen (soms met roodbruin) met zwarte beharing. Dijen distaal met enkele bruine puntjes. Schenen met korte zwarte stekels en distaal donkerbruin.

Voorkomen: zeer algemeen in Nederland. Palearctisch: Europa, Noord- Afrika, Azie (het Midden-Oosten). Na versleping in Noord-Amerika, Australie, Nieuw Zeeland (Kerzhner & Josifov 1999, Aukema et al. 2013).

Biotoop: min of meer ruderale open vegetaties op akkers, grasland, wegbermen, houtwallen, bosranden.

Ontwikkeling: volwassen wantsen van eind april tot in oktober. Een generatie per jaar.

Overwintering: als ei.

Voedsel: fytofaag: ze zuigen vooral aan de bloeiwijzen en vruchten van veel soorten planten als verschillende distels, duizendblad ( Achillea milleforium ), grote brandnetel ( Urtica dioica ), jacobskruiskruid ( Jacobaea vulgaris ), kamille ( Matricaria sp. ), klaver ( Trifolium sp.) enz. Schadelijk voor o.a. suikerbiet en aardappel.

Blauwe breedscheenjuffer (Platycnemis pennipes)Blauwe breedscheenjuffer (Platycnemis pennipes) Pallas, 1771

Vorige week vertelde ik over de Libellen en Juffers. Op deze detail foto zie heel goed dat bij de juffers de ogen veer uit elkaar zitten en dat de vleugels langs het lichaam opgevouwen liggen.

Dit is een juveniel (een nog niet uitgekleurd) mannetje.

 

 

 

 

Zilverstreepgrasmot (Crambus pascuella)Zilverstreepgrasmot Crambus pascuella (Linnaeus, 1758)

De (gewone) zilverstreepgrasmot (Crambus pascuella) is een vlinder uit de familie grasmotten (Crambidae). De spanwijdte van de vlinder bedraagt tussen de 20 en 24 millimeter. De soort overwintert waarschijnlijk als rups.

De zilverstreepgrasmot heeft soorten uit de grassenfamilie als waardplanten, met name beemdgras.

 
 
 
 

Grote kommazweefvlieg (Eupeodes luniger)Grote kommazweefvlieg (Eupeodes luniger) (Meigen, 1822)

Middelgrote zweefvlieg met op het achterlijf kommavormige gele vlekken op een zwarte ondergrond. Deze gele vlekken bereiken de zijrand van het achterlijf niet, deze zijnaad blijft dus zwart.

Het is een vrij algemene soort die overal gevonden kan worden. De eerste generatie verschijnt al vroeg in het jaar. De larven leven van bladluizen.

 
 
 
 
 

Korte smalboktor (Pachytodes cerambyciformis)Korte smalboktor (Pachytodes cerambyciformis) (Schrank, 1781)

De korte Smalboktor (Pachytodes cerambyciformis synoniem: Judolia cerambyciformis) is een keversoort uit de familie van de boktorren (Cerambycidae). De wetenschappelijke naam van de soort werd voor het eerst geldig gepubliceerd in 1781 door Schrank. De korte Smalboktor komt voor in grote delen van Europa tot in Klein-Azië, maar ontbreekt in de noordelijke gebieden. In Midden-Europa is het een van de meest voorkomende soorten, vooral in heuvel- en bergachtige streken.

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ in de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel .

Voorjaar Tussendoortje-4, lente in de Natuurtuin ‘De Robbert’.

Insecten en vlinders fotograferen in de Natuurtuin.

Zondag (2020-06-07), Vanmorgen is in de Natuurtuin de Fotografieclub Helmond Oost op bezoek, om foto’s te ‘kieken’. Deze gezellige fotoclub is voor jong en oud, voor gevorderden en beginners. Een maal in de maand binnen fotograferen en een maal in de maand op een locatie. Vooraf wordt afgesproken dat ook op deze locaties, iedereen rekening houd met de 1.50m afstand regel. Als de amateurfotografen verspreid zijn in de tuin, zijn de (natuur) onderwerpen legio. Voor hun inspiratie en fantasie zijn vlinders, insecten, vogels en doorkijkjes geliefde onderwerpen om te fotograferen.

logo fotoclub Helmond OostDoor het enthousiasme van de amateurfotografen en adviezen krijg ik ook inspiratie en fantasie. Ik probeer wat foto’s te maken met een compact camera in de ‘super’ macrostand. Zo krijg een bezoek aan de Natuurtuin een heel andere wending, dan alleen maar kijken naar vogels en bloemen. In de Natuurtuin zijn vele insecten aanwezig om te fotograferen. Hieronder heb ik een paar soorten die ik vandaag heb gezien en over verbaast heb geplaatst. Kom ook eens naar de tuin en ontdek zelf en laat je inspireren door de wereld van de kleurrijke insecten.


Fraaie schijnbok mannetje (Oedemera nobilis)Fraaie schijnbok(mannetje) Oedemera nobilis (Scopoli, 1763)

De fraaie schijnboktor of fraaie schijnbok (Oedemera nobilis) is een keversoort uit de familie schijnboktorren (Oedemeridae).

Uiterlijke kenmerken:

De fraaie schijnboktor is een slanke, middelgrote kever met een opvallende metaalglans. De meeste exemplaren zijn heldergroen, maar de kleur kan variëren van blauw tot violet. De dekschilden zijn sterk versmald aan de achterzijde, waardoor de achtervleugel voor een deel onbedekt zijn. De achterpoten van het mannetje hebben sterk opgezwollen dijen. Dit is een typisch kenmerk bij de meeste Oedemera-soorten.

De fraaie schijnboktor kan worden verward met Oedemeridae flavipes. Deze verwante schijnboktor is echter donkerder gekleurd en heeft bij het mannetje lange witte haartjes op de kop, borstschild en achterste dijbenen.

 Leefwijze:

In de lente is de fraaie schijnboktor een frequente bezoeker van diverse bloemsoorten, waar hij zich voedt met stuifmeel en nectar. De larve ontwikkelt zich in dode stengels van kruidachtige planten van het geslacht Spartium en Cirsium. (Bron: Wikipedia)

 

Groene distelsnuitkever (Chlorophanus viridis)Groene distelsnuitkever Chlorophanus viridis (Linnaeus, 1758) (mannetje en vrouwtje)

De groene distelsnuitkever is een kever uit de familie snuitkevers (Curculionidae) en een van de drie soorten binnen het geslacht chlorophanus.

De Groene distelsnuitkever lijkt op een Phyllobius-soort, maar heeft aan de zijkanten van het lichaam een van voren naar achteren lopende, duidelijk contrasterende, groengele lengtestreep. Verder is hij bruin- tot blauwachtig van kleur en heeft hij een lengte van 8 – 11 mm. Van mei tot augustus is hij te vinden bij bosranden en vochtige terreinen, onder andere op brandnetels. Het is een vrij algemene soort in Nederland. De kevers eten vaak van distels, wilg en brandnetels. De larven ontwikkelen zich onderaards aan de wortels van deze planten.

Groot dikkopje (Ochlodes sylvanus)Groot dikkopje Ochlodes sylvanus (Esper, 1777)

Het groot dikkopje is, ondanks zijn naam, een kleine vlinder. Op zowel de boven als onderzijde bevinden zich lichtbruine vlekjes.

Het is een vlinder die vrij algemeen is van graslanden en bosranden. De vliegtijd is vooral in de zomer juni en juli. verse exemplaren hebben niet altijd goed zichtbare vlekken.

Kijk ook eens uit naar het Zwart- en Geelsprietdikkopje en de Kommavlinder.

 

 

Blauwe breedscheenjuffer (Platycnemis pennipes)Blauwe breedscheenjuffer Platycnemis pennipes Pallas, 1771

vrouwtje = crème/zwart

mannetje= lichtblauw/zwart

De juffers of gelijkvleugeligen zijn een onderorde van insecten, een van de twee recente onderorden binnen de orde van de libellen. Wereldwijd zijn ruim 2700 soorten juffers beschreven, in Europa komen slechts 49 soorten voor. In Nederland zijn 26 soorten aangetroffen, waarvan 24 ook in België.

 

 

Uiterlijke kenmerken:

Opvallend door de bleke kleur, brede kop, dubbele schoudernaadstreep en de wittige, verbrede schenen.

Kenmerken imago:

  • lichte delen zijn lichtblauw.
  • lichte delen zijn lichtbeige tot lichtgroen.

Kenmerken:

  • Gezicht: brede kop met 2 lichte dwarsstrepen.
  • Borststuk: dubbele schoudernaadstreep.
  • achterlijf: met variabele zwarte tekening, S7-9 vrij veel zwart.
  • achterlijf: met variabele zwarte tekening.
  • Poten: licht met smalle zwarte lengtestreep en verbrede schenen.
  • Pterostigma: beige tot bruin.

Habitat:

  • Langzaam stromende beken, rivieren en kanalen. Ook bij grotere, zuurstofrijke plassen, zoals zandafgravingen

TiP: Juffers vouwen hun vleugels evenwijdig langs het lijf, Libellen hebben de (4)vleugels open, haaks op het lijf staan.

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ in de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel

Voorjaar Start-11, lente in de Natuurtuin ‘De Robbert’.

Vandaag geen geplande activiteiten door de regen, maar wel leuke natuur ontdekkingen.

Zaterdag (2020-06-06)Vanmorgen vroeg op pad, lage temperaturen en regen, wel even wennen na al die mooie zonnige dagen. Als ik door de toegangspoort loop de tuin in, hoor ik de Kleine karekiet zingen in het riet bij de Grote poel. Even speuren dan zie ik de vogel zitten net onder de pluim van een rietstengel. Door zijn schutkleur is de vogel vaak moeilijk waar te nemen. De Kleine karekiet zingt meer continu dan de Grote karekiet en niet zo luid. Hij heeft minder variatie, heldere tonen en motiefjes dan de Bosrietzanger. Zingt wat trager en minder ritmisch.

Als we (Stan en ik) verder rondlopen richting de Zuidelijke poel hoor ik een Bosrietzanger een gevarieerde drukke zang, helder tonen en explosieve uithalen maar ook tsje, tsje… tonen komen ons tegemoet. Een mooi vergelijk met de zangtonen van de Kleine karekiet nog op de achtergrond. Onlangs hebben we meen ik ook een Bosrietzanger gehoord maar we waren toen niet zeker van de waarneming. Dan start ik gelijk maar een LiveAtlas telling. Aan het einde van de telronde zie ik een Kleine bonte specht met drie jongen. Al foeragerend vliegend en zoekend ze alle kruinen af naar insecten in het kleine bosje. Weer twee nieuwe soorten voor de vogeltellijst. Als ik de telling wil afsluiten zien we nog twee families Staartmezen samen met twaalf jongen. Voldaan sluit ik de telsessie af.

Hieronder een tekening van het verenpatroon en vliegsilhouet van ‘Bonte’ Spechten.

Bonte spechtenvliegsilhouet Bonte spechten

 

  

 

Herkenningstip voor de drie ‘bonte’ Spechtensoorten.

Tussen de buien door lopen we langs de bloem- en plantenstroken op zoeken naar interessante insectensoorten. Door de koude weersomstandig heden blijven ze langer op een plaats en houding zitten op een blad of bloem en kun je ze gemakkelijker van dichtbij fotograferen. Even later vind ik een: Grote langlijf.

Tegen 11.00uur als de buien afnemen en het zonnetje begint te schijnen loopt ik buiten de Natuurtuin nog een telronde in het buitengebied. Neem 26 vogelsoorten waar o.a. ook hier Bosrietzanger, Grasmus en Tjiftjaf zelfs een Ree laat zich zien. Wellicht heeft de ‘geit’ (het vrouwtje) ergens in het lange gras zijn jong verstopt. Ook kruizen met lage snelheid twee slakkensoorten mijn wandelpad. Maak een foto en plaats deze op waarneming.nl en plaats gelijk een foto in de wekelijkse nieuwsbrief over de ‘natuurontdekkingen’ in en rondom de Natuurtuin ‘De Robbert’.

Grote langlijf (Sphaerophoria scripta)  Grote langlijfSphaerophoria scripta (Linnaeus, 1758)

Een zweefvlieg met een lang, slank achterlijf dat zwart met gele banden of vlekkenparen is. In rust steekt het achterlijf een stuk onder de vleugels uit. De soort is vooral in de kruidvegetatie en op bloemen te vinden. De larven leven als rovers op bladluizen op allerlei kruiden. Ze komt regelmatig in tuinen voor.

 

 

 

 

Tijgerslak (Limax maximus Linnaeus)TijgerslakLimax maximus Linnaeus, 1758.

De grote aardslak (Limax maximus) is een naaktslak uit de familie Aardslakken. Er zijn meerdere namen voor deze soort, zoals grote raspschelp en tijgerslak. De Tijgerslak hoort tot de orde van de naaktslakken. Samen met de Gewone wegslak (Arion rufus) en nog enkele huisjesslakken is hij een regelmatige gast in onze tuin. De slakkenliefde is onbeschrijfelijk: iedere soort doet het anders, en met alleen al rond de honderd soorten landslakken in ons land heb je aan twee A-viertjes niet voldoende. De meeste landslakken zijn hermafrodiet: ze eten van twee walletjes, want beide individuen beschikken over mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen. Toch doen de meeste dieren niet aan zelfbevruchting: ze hebben een partner nodig die op hetzelfde moment de kriebels krijgt. De Gewone wegslakken maken er echt werk van. Ze beginnen met het volgen van andermans slijmsporen die vol zitten met chemische stoffen. Als ze elkaar gevonden hebben kunnen ze geruime tijd om elkaar heen dansen. Ze bedrijven de liefde zij aan zij, opgerold liggend in hun zachte slijmbed.

Rode wegslak/Spaanse wegslak (Arion rufus/vulgaris)

Rode wegslak/Spaanse wegslak (Arion rufus/vulgaris)

Herkenning:

Lichaam kruipend (gestrekt) tot 15 cm. Variabel in kleur. Vooral in gebieden met kalk vaak oranje tot roodachtig in (Limburg), elders min of meer chocoladebruin, soms ook donker blauwzwart. Kop en tentakels vaak donkerder. De zijkant van de zool is oranjebruin met zwarte dwarsstreepjes. Jonge dieren hebben laterale kleurbanden. De onderzijde van de zool is grijs of bijna wit. Het slijm is kleurloos, het laat dikke kleverige sporen na. Lichaamsoppervlak met lengtegroeven en grote langgerekte tuberkels. Ademopening aan de rechterzijde, vóór het midden van het rugschild. Geen kiel op de rug, geen inwendig schelpje. Trekt zich halfrond samen bij verstoring.

Zoekbeeld:

De kleur van de twee à drie grotere soorten wegslakken kan verschillen. Vaak is er wel een onderbroken oranjerode rand om de voet aanwezig bij zowel Arion rufus (Rode wegslak) als Arion vulgaris (Spaanse wegslak). Bij de zwarte exemplaren van de mogelijk ook in ons land levende soort Arion ater (Duistere wegslak) is dit meestal niet het geval.

Te verwarren met:

De drie grote soorten wegslakken lijken erg op elkaar. Alleen anatomisch onderzoek kan 100% uitsluitsel geven. Veel aanvankelijk tot de Rode wegslak gerekende exemplaren bleken na inwendig onderzoek te behoren aan Arion vulgaris, de Spaanse wegslak. De Spaanse wegslak is een ingevoerde soort die sterk aan het toenemen is.

In Nederland komt een vijftal grotere Arion-soorten voor:

• Arion (Arion) rufus (Linnaeus, 1758) (vroeger vaak als A. ater of A. ater rufus)

• Arion (Arion) subfuscus Draparnaud, 1805

• Arion (Arion) fuscus (Müller, 1774)

• Arion (Arion) flagellus Collinge, 1896

Een publicatie hierover is aanstaande (de Winter et al., in prep).

• Arion (Arion) lusitanicus Mabille, 1868 (=A. (A.) vulgaris Moquin-tandon, 1855),

Van deze soorten zijn alleen Arion rufus en Arion fuscus inheems in Nederland.

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ in de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel .

Voorjaar Start 10, lente in Natuurtuin De Robbert

Tussendoor bezoek; insecten zoeken met klopscherm en waterinsectenonderzoek in poelen

Putter (Carduelis carduelis)Zaterdag (2020-05-30),Wanneer ik vanmorgen vroeg de vitrage opzij schuif -en naar buiten de achtertuin in kijk- zie ik de: Putter (Carduelis carduelis): Een zangvogel uit de familie der vinkachtigen. Distelvink is de volksnaam voor deze vogel met zijn rode opvallende snuit rondom zijn snavel. Behendig vliegt de vinkachtige naar beneden en land op een stengel van de Gele lis. Dan zie ik dat hij of zij plukt van de witte pluimen van het Veenpluis Eriophorum angustifolium. Veenpluis is een plant uit de cypergrassenfamilie. De plant groeit op vochtige, zure grond, zoals heide en veen. Het vormt daar zoden met behulp van uitlopers. Opvallend is het lange, witte vruchtpluis, waaraan de naam ontleend is. Hij is plaatselijk vrij algemeen in Drenthe, de Kempen en de Ardennen. Een grote hoeveelheid in zijn snavel -plukt de Putter uit de zaaddoos-materiaal                                                                                                                                                voor zijn nest, en vliegt weg.

Onderweg op de fiets richting de Natuurtuin vliegen ca. 50 Canadese ganzen in V-vlucht over me heen. is de wintervorst nu al opkomst? de zomer moet nog starten ;-/

Donderdag (2020-05-28), Tussendoor een bezoek aan de Natuurtuin. Stan voert nog wat maaiwerk uit aan de looppaden en ik ga het klopscherm testen -dat onlangs is aangeschaft voor onderzoek- daarna opzoek naar insecten. Zet het klopscherm in elkaar; twee ‘tentstokken’ kruislings naar de punten van het 1.00 meter vierkante grote ‘witte nylon doek’. Loop langs de randen van bomen en struiken. Hou het scherm onder de bladeren en klop voorzichtig op de takken, de insecten vallen op het doek en uitzoeken maar! Een nieuwe wants, voor de Natuurtuin, valt op het doek de:

Smalle randwants (Gonocerus acuteangulatus)Smalle randwants Gonocerus acuteangulatus (Goeze, 1778)

Herkenning - 12­-15 mm. Makkelijk te herkennen aan de hoekige schouders en de egaal gekleurde oranjebruine poten (de dijen en schenen hebben dezelfde kleur). Heeft in vergelijking met de zuringrandwants Coreus marginatus een smaller achterlijf en aan de voorkant van de kop tussen de antennen geen stekels. Zou verward kunnen worden metde jeneverbesrandwants Gonocerus juniperi, maar het connexivum heeft ongeveer dezelfde kleur als de vleugels (connexivum is overwegend geel in G. juniperi ).

Voorkomen - Algemeen en bijna overal in Nederland te vinden, ook op de waddeneilanden. Schaarser in het zeekleigebied. **

Biotoop - Zonbeschenen struwelen en bosranden met loofhout, met een voorkeur voor besdragende struiken zoals meidoorn, lijsterbes, vogelkers en vuilboom.

Fenologie adult - Overwintert als adult en heeft een generatie per jaar. Adulten kunnen nagenoeg het hele jaar worden aangetroffen, maar de meeste waarnemingen komen uit de periode april tot september met pieken in juni en augustus.

Tussendoor zie ik nog een aantal insecten op het ‘witte doek’ o.a. de nimfen van de Rood-pootschildwants. Ook een kleine wants zit ertussen: Groene appelschaduwwants en even later heb ik nog een opvallende Rood-zwarte halsbandwants.

Zaterdag (2020-05-30), Na twee vogeltelrondes in en buiten de Natuurtuin, loop ik de tuin weer binnen. Bij de brug wordt het schepnet gebruikt voor onderzoek naar waterinsecten. Als ik bij de groep ben zie ik in de sorteerbakken verschillende soorten. Gelijk de fotocamera erbij om ze vast te leggen in beeld, tekst en soortlijsten. Zo kunnen we zien hoe per jaar de ontwikkeling van diersoorten en insecten is in de Natuurtuin. Na de koffie zie ik een bruinig wantsje op mijn vogelkijker, gelijk roep ik Haakjesschildwants, waarna iedereen begint te lachen als of ik een grapje maak, maar het insect bestaat echt! De Nederlandse benamingen bij wantsen is vindingrijk en vormen prachtige namen voor het spel Scrabble.

Podops inuncta (Fabricius, 1775)Haakjesschildwants Podops inuncta (Fabricius, 1775)

Herkenning - 5,0 - 6,5 mm. Door het grote bruine schildje, dat nagenoeg het gehele achterlijf bedekt, niet te verwarren met andere schildwantsen Pentatomidae, maar lijkt wel op sommige pantserwantsen Scutelleridae. Van alle wantsen te onderscheiden door de opvallende haken op de voorrand van het halsschild ter weerszijde van de kop.

Voorkomen - Algemeen, in het hele land te vinden, maar zelden in kleigebieden. Ook op de waddeneilanden.

Biotoop- Droge tot natte grasvegetaties, ook op plekken die in het voorjaar onder water staan.

Fenologie adult - Overwintert als adult en kan het gehele jaar als volwassen dier worden gevonden met een duidelijke piek in de paringstijd in mei en juni.

Verschillende waterinsecten kan ik later noteren voor de soortenlijst. Het is een bevestiging van de soorten die we ook vorig jaar al eens gevangen en genoteerd hebben, zoals de Platte waterwants, Staafwants en Bootsmannetjes.

Alle waarnemingen van Flora en fauna is ook te lezen op de website Helmond - Bundertjes Noord-Brabant; https://waarneming.nl/locations/15502/

Veeel lees en onderzoekplezier,

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ in de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel .

VOORJAAR Start-9, LENTE in de Natuurtuin ‘De Robbert’.

Enkele vogels zingen nog, waterinsecten elke week meer soorten in de poelen.

Zaterdag (2020-05-23), Na een natuurinspectie en vogelronde valt het ons op dat de vogelzang is afgenomen, niet alleen in de Natuurtuin. Op dit moment zijn de vogelparen volop bezig met het groot brengen van hun jongen. Er is geen tijd voor verleidelijke vogelzang. Een enkele Merel, Tjiftjaf en Zwartkop hoor je zingen, wellicht ivm het tweede legsel.

logo liveatlas

Het eerste kwartaal van 2020 zijn 47 vogelsoorten ingevoerd met behulp van de LiveAtlas App van Sovon. De eerste vogel die ingevoerd werd dit jaar was de Boomklever op 04012020 de laatste vogelsoort op 14042020 is de Kleine karekiet. Enkele highlights die tot nu toe genoteerd zijn; Barmsijs, Koperwiek, Bonte vliegervanger, Tuinfluiter, Grasmus en Kleine karekiet. We streven er naar om elke maand 2 a 3 keer tijdens een (werk)bezoek zullen we een vogeltelling houden.

Afbeeldingen: tekeningen zijn gemaakt door Rein Stuurman voor het vogelboek ‘ZIEN IS KENNEN!

Boomklever (Sitta europeae)
Boomklever (Sitta europeae)
bonte vliegenvanger (Ficedula hypoleuca)
bonte vliegenvanger (Ficedula hypoleuca)
kleine karekiet (Acrocephalus scirpaceus)
kleine karekiet (Acrocephalus scirpaceus)

Insecten die leven in de Grote plas

Vandaag het schepnet weer eens gepakt voor de waterinsecten in de Grote poel. Allerlei waterdiertjes die in het schepnet zitten zet ik even in de grote sorteerbak waarna ik ze terug zet. Een paar interessante insectensoorten presenteer ik in dit verslag.

sorteerbak vol insectenleven
sorteerbak vol insectenleven

larve van Waterjuffer
larve van Waterjuffer

 

 

 

 

 

 

 

 

Gewone snelzwemmer Agabus bipustulatus
Gewone snelzwemmer Agabus bipustulatus

Gewone snelzwemmerAgabus bipustulatus (Linnaeus, 1767)

 

De tweepuntbeekkever (Agabus bipustulatus) is een keversoort uit de familie waterroofkevers (Dytiscidae). De wetenschappelijke naam van de soort is voor het eerst geldig gepubliceerd in 1767 door Linnaeus.

 

 

 

 

Gewone tweevleugel Cloeon dipterum
Gewone tweevleugel Cloeon dipterum

Volwassen Haft (Foto:Frank vd Putte)
Volwassen Haft (Foto:Frank vd Putte)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Veruit de algemeenste haft in sloten, vijvers en langzaam stromende wateren. Leeft als nimfe tussen waterplanten en oevervegetatie. De soort Cloeon simile is schaarser en leeft in de mooiere slootjes en duinplassen in water wat niet zwaar door voedings-stoffen is belast. Cloeon dipterum kan daar juist zeer goed tegen.

Het geslacht Cloeon is samen met Procloeon een van de weinige waarvan de volwassen dieren slechts 1 paar vleugels hebben.

In de familie Baetidae, waartoe het geslacht Cloeon behoort, heb je verder alleen "beeksoorten", waaronder de geslachten Baetis , Centroptilum en Procloeon.

Haften hebben ook een stadium tussen larve (eigenlijk nimf) en volwassen, namelijk het subimago. Deze zijn te herkennen aan de ondoorzichtige vleugels.

De mannetjes en vrouwtjes zijn heel makkelijk uit elkaar te houden. De mannetjes hebben 'turbo-ogen'. Het achterlijf is deels wijnrood en de voorpoten zijn verlengd. De vrouwtjes hebben een opvallend bruine gekleurde rand langs de vleugels.

 

Kikkerlarve
Kikkerlarve

Kikkerlarve, fragiele amfibielarve de achterpootjes zijn er al. Nog even dan komen de voorpootjes en verdwijnt het staartje. Op de bijgevoegde foto is ook een doorzichtige Muggenlarve te zien.

De ontwikkeling van de kikkers is het proces van ei tot adult bij de kikkers (Anura). De tussenliggende stadia worden respectievelijk het embryonale, het larvale en het subadulte stadium genoemd.

Kikkers zetten de eieren (kikkerdril; ook wel kikkerrit genoemd) af in het water, dit is een verzameling eieren die een gelatineus en glibberig, doorzichtig omhulsel hebben. Uit de eieren komen na enige dagen tot weken de larven of kikkervisjes tevoorschijn. De larven worden ook wel dikkopjes, donderkopjes of kwakkebollen genoemd. Ook de larven van padden worden kikkervisje genoemd, het idee dat kikkers en padden twee verschillende groepen zijn is verlaten.

Volgende keer; insecten vangen met een klopscherm in de Natuurtuin

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ in de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel

Voorjaar tussendoortje-3, Lente in natuurtuin De Robbert

Wantsen en Krekels actief rondom de Natuurtuin

Dinsdag (2020-05-19), Als ik vanmorgen bijtijds de Natuurtuin binnen stap is het maaisel al bijna bijeen geharkt. Het laatste restje dat zaterdag gemaaid werd. De temperatuur loopt op -weer een warme zonnige dag- tijd voor nog een ‘tussendoor’ onderzoekje. Vandaag ga ik eens kijken welke insecten zitten rondom in het terrein. Ondertussen pak ik mijn camera en klopnet wellicht kan ik me verbazen dat er veel verschillende insecten actief zijn -heb geen idee wat ik vandaag tegen kom- altijd een verrassing. De eerste ‘trek’ met het klopnet is een verrassing voor me de:

Rood-zwarte halsbandwants (Deraeocoris trifasciatus)Rood-zwarte halsbandwants (Deraeocoris trifasciatus) (Linnaeus, 1767)

Herkenning :

  • 8,5-12 mm. In Nederland de grootste soort.
  • Langvleugelig (macropteer).
  • De kleur van de antennes varieert van bruin tot zwart. Bij de bruine antennes is het eind van segment 2 zwart. Antennesegment 2 is 2 keer zolang als segment 3 en 4 samen.
  • De kleur is variabel. Een geheel rode vorm, een rood met zwarte vorm en een geheel zwarte vorm.
  • Bij de rood-zwarte vorm (het meest gefotografeerd) is het schildje (scutellum) rood. Van de voorvleugels is de cuneus (uiteinde van het hoornachtig deel v.d. voorvleugel) rood met een zwarte punt. In het midden van de voorvleugels is een rode vlek die langs de vleugelrand doorloopt naar en over het zwarte halsschild.
  • De kop is bij alle kleurvormen zwart.
  • De kleur van de poten varieert van bruin tot zwart. De schenen hebben twee witte ringen.

Voorkomen: in Nederland gewoon in het binnenland. Palearctisch: Europa, Azie: het Midden-Oosten, de Kaukasus. (Kerzhner & Josifov 1999, Aukema et al. 2013).

Biotoop: in loofbomen bij bosranden, parken, tuinen. O.a. in eik Quercus sp., zwarte els Alnus glutinosa en houtige (Rosaceae).

Ontwikkeling: __ volwassen wantsen worden waargenomern van midden mei tot eind juli. Een generatie per jaar.

Overwintering: als ei.

Voedsel: zoofaag. Bladluizen (Aphidoidea), bladvlooien (Psylloidea) en kleine rupsen van vlinders (Lepidoptera).

Even later vang ik nog een paar leuke wantsen de: Bruine getande randwants en de Gele viervlekwants. Ook een mooie Krekelsoort voor Z-O Brabant zat in het net. Als ik de vangst sessie wil afsluiten en het net inspecteer zit er een Nachtvlinder in: de Appeltak, een echte zomervlinder.

Bruine getande randwants Coriomeris denticulatusBruine getande randwants (Coriomeris denticulatus) (Scopoli, 1763)

 

Herkenning - 8,0-9,5 mm. Middelgrote randwants die makkelijk te herkennen is aan de rij witte doorns op de zijkant van het halsschild. De enige soort die dit ook heeft is de veel zeldzamere Coriomerus scabricornisCoriomeris denticulatus heeft echter twee grote en enkele kleine doorns op de achterdij (een grote en enkele kleine doorns bij C. scabricornis ) en heeft op het tweede antennesegment korte schuin afstaande en lange recht afstaande haren (alleen korte schuin afstaande beharing bij C. scabricornis ).

Vrij algemeen in de duinstreek en op de binnenlandse zandgronden. Ook op de waddeneilanden.

Biotoop - Warme, droge biotopen met vlinderbloemigen.

Fenologie adult - Overwintert als adult en heeft een generatie per jaar. Adulten kunnen het hele jaar gevonden worden met een duidelijke piek van mei tot augustus. 

Gele viervlekwants Dryophilocoris flavoquadrimaculatusGele viervlekwants (Dryophilocoris flavoquadrimaculatus) (De Geer, 1773)

Herkenning:

  • 6-6,6 mm.
  • Langvleugelig (macropteer).
  • Zwarte antennes. Antennesegment 1 is roodbruin, geelachtig bruin en alleen bij de basis zwart.
  • Een zwarte wants met geelachtige vlekken. Langwerpig van vorm.
  • Kop, halsschild (pronotum) en schildje (scutellum) zijn zwart.
  • Voorvleugels: de clavus (smal driehoekig vlak tussen schildje en hoornachtig deel v.d. voorvleugel) is zwart. Het corium (hoornachtig deel v.d. voorvleugel) is tot voorbij het midden geelachtig. De cuneus (uiteinde van het hoornachtig deel v.d. voorvleugel) is geelachtig met zwarte punt. Een zwart membraan (vliezig deel v.d. voorvleugel) met een witte vlek aan de zijkant.
  • De dijen zijn roodachtig bruin, de schenen zijn geel en de tarsi (voeten) zwart.

Voorkomen: in Nederland zeer algemeen met uitzondering van de Waddeneilanden. Palearctisch: Europa, Noord-Afrika, Azie: Kaukasus (Kerzhner & Josifov 1999, Aukema et al. 2013).

Biotoop: bosranden, houtwallen, parken, tuinen op eik.

Ontwikkeling: de volwassen wantsen worden waargenomen van midden april tot eind juni, incidenteel in september. Een generatie per jaar.

Overwintering: __ als ei.

Voedsel: zoofytofaag: Eik Quercus sp. Nimfen en jonge volwassen wantsen voeden zich vooral met sappen uit knoppen en bloeiwijzen. Oudere wantsen leven van bladluizen (Aphidoidea), bladvlooien (Psyllpidea), stofluizen (Psocoptera), insecteneieren, kleine rupsen en nimfen van andere blindwantsen.

Greppelsprinkhaan (Roeseliana roeselii)Greppelsprinkhaan (Roeseliana roeselii) (Hagenbach, 1822)
Kenmerken: Groen-bruine sabelsprinkhaan met halflange vleugels. Opvallend is de brede witte zoom aan de zijkant van het halsschild. De kleur is variabel, maar typische dieren zijn overheersend groen aan de zijkant en bruin op de bovenkant. Zelden treden volledig gevleugelde dieren op die kunnen vliegen. Legboor van het vrouwtje aan het begin met knik, daarna slechts licht gekromd.

Geluid
De mannetjes maken een gelijkmatig, hoog, snorrend geluid dat vergelijkbaar is met een doorlopende naaimachine. Het is een vrij zacht geluid (veel zachter dan Grote Groene Sabelsprinkhaan), dat tot 10 meter hoorbaar is. Voor de ouderen onder ons: op een gegeven moment ligt de gehoorgrens lager dan de frequentie van de Greppelsprinkhaan.

Habitat
De soort komt voor in hoogopgeschoten kruiden- en graszomen.

Voorkomen In Nederland plaatselijk talrijk, in Midden-Europa een van de algemeenste sabelsprinkhanen.

Appeltak (Campaea margaritaria)Appeltak (Campaea margaritaria) (Linnaeus, 1767)

De appeltak (Campaea margaritaria, syn. Campaea margartitata) is een nachtvlinder uit de familie van de spanners. De vlinder heeft een spanwijdte van 42 tot 55 millimeter en is daarmee een grote vlinder uit deze familie. Het verspreidingsgebied beslaat geheel Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten. De vlinder vliegt in twee generaties, de eerste in mei en juni en de tweede in augustus. De rups heeft verschillende loofbomen als waardplant, voorbeelden zijn eik, berk, prunus en meidoorn. De winter wordt als rups doorgebracht op een tak van de waardplant waarvan de zachte bast kan worden gegeten. Begin april verpopt de appeltak om in mei de eerste generatie te leveren.

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ in de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel

Voorjaar Tussendoortje-2, Lente in de Natuurtuin ‘De Robbert’.

Bijen actief en diverse grote insectensoorten in de Natuurtuin

Maandag (2020-05-18), Vandaag is het maaisel bijeen geharkt dat zaterdag gemaaid werd. Na het ‘zware’ werk is er ook nog tijd voor een ‘tussendoor’ onderzoekje. Samen met Wil en Stan lopen we een rondje door de zon overgoten Natuurtuin. Ondertussen maken we foto’s van allerlei insecten we verbazen ons dat er zoveel verschillende insecten actief zijn in de Natuurtuin.

Ephialtes manifestator (Linnaeus, 1758)

Ephialtes manifestatorEphialtes manifestator

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De meeste soorten uit het Dolichomitus-complex parasiteren kevers en hebben een voorkeur voor bossen en heides, terwijl Ephialtes-soorten zich tot bijen wenden (eerder in een stedelijke omgeving). Enkel op basis van dit gedrag zijn beide genera uit elkaar te houden, zonder zeer gedetailleerde foto's van onder andere de legboor..

Houtlangpootmug Tanyptera atrata

De Spanwijdte 30-40 mm, juni-juli.

Kenmerken Mannetje met gekamde voelsprieten en geelbruin of zwart achterlijf. Vrouwtje (208 4 g) met sterk glanzend, bijna rood achterlijf, dat telescopisch uitschuifbaar is.

Voorkomen In vochtige bossen. Lokaal algemeen in Nederland en België.

Levenswijze Het vrouwtje legt met behulp van haar legboor de eieren diep in vermolmd hout waarin zich de larven ontwikkelen.

Solitaire bijen actief

Aan het eind van de ronde door de Natuurtuin kijken we nog even bij de bijenstal vele soorten zijn actief. Het solitaire bijenvolkje gonst als het een harte lust is, en ze vliegen in en uit met stuifmeel en enkele soorten zijn bezig met hun verblijven, nesten en broedzorg.

Ranonkelbij Chelostoma florisomneRanonkelbij Chelostoma florisomne (Linnaeus, 1758)

De Ranonkelbij komt vrij algemene voor op de hogere zandgronden en in Zuid-Limburg, ze is zeldzaam in het westen. Chelostoma florisomne nestelt in dood hout in natuurlijke of kunstmatige gaten, maar ook in holle stengels. Voor de wanden wordt leem met kleine steentjes gebruikt.
Vrouwtjes zijn herkenbaar aan de grote kaken en het uitstekende kopschildje. De rugplaten zijn voorzien van eindbandjes, het stuifmeelverzamelapparaat aan de buikzijde is grauw wit. Het mannetje is meer witbehaard, de onderzijde van de voelsprieten zijn grotendeels geel. Drachtplanten zijn voornamelijk de boterbloemen (ranonkelfamilie). Om één broedcel te kunnen voorzien van stuifmeel is 12,5 milligram pollen nodig.

 

Tronkenbij (Heriades truncorum)Tronkenbij Heriades truncorum (Linnaeus, 1758) De Omschrijving:

Overwegend kleine, zwarte dieren met lichte haarbandjes, weinig behaard. Het cilindrische achterlichaam van het mannetje heeft kleine putjes. Het gezicht heeft wat vuilwitte beharing. De vrouwtjes hebben gele verzamelharen aan de onderkant van hun achterlijf. Verwarring is mogelijk met tubebijen of klokjesbijen.

De Tronkenbij nestelt in oude kevergangen in oud hout, vaak een afgeknotte rest van een boom (tronk), maar ook in andere kiertjes. Nestelt ook in houtblokken of in stengels van rietdaken. Gaatjes van 3 à 4 mm zijn reeds voldoende. Nestgangen van vorig jaar worden na reiniging opnieuw gebruikt. Het wandje tussen de twee cellen wordt gemaakt van hars, kieren in de zijkant worden met ook hars dichtgemetseld. In de eindprop worden in de hars ook zandkorreltjes of stukjes blad verwerkt. De hars wordt gehaald van dennenbomen of van boomknoppen.

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ in de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel

Voorjaar Start-8, Lente in de Natuurtuin ‘De Robbert’.

Maaiwerk, goed voor het vogel jongbroed? en tijdens het insectenonderzoek worden we geconfronteerd met een Poelpiraat.

Zaterdag (2020-05-16), Vandaag stap ik de Natuurtuin iets later binnen ivm een LiveAtlas vogeltelling in het omliggende natuurterrein en zie dat Stan al twee/derde van de maaiwerkzaamheden heeft uitgevoerd. De vogeltelling is afgelopen donderdag al uitgevoerd vooraf van het ‘Tussendoortje’. Verschillende vlaktes zijn gemaaid in de verschillende biotoopjes ‘Mozaïek beheer’ zeggen ze in het biologische beheer. Als de om gemaaide planten even ligging in de zon zie ik dat de vogels al profiteren van het uitgevoerde werk van Stan. Ze halen namelijk de gemakkelijke bereikbare insecten weg tussen de planten stengels voor hun jongbroed. Zie een Roodborst, tjiftjaf, koolmees en natuurlijk de merel -die is er als de kippen bij- een specialist bij uitstek op het grasveld foerageren.

Vooraf aan het onderzoekswerk maak ik een paar foto van de rond vliegende Juffers: Lantarentje, Weidebeek- en Azuurjuffer ook enkele insecten die nog in het schaduwrijke gedeelte zitten zijn gemakkelijk te fotograferen.

Azuurwaterjuffer Coenagrion puella (Linnaeus, 1758))

Zeer algemene waterjuffer met relatief blauwe mannetjes en zeer donkere vrouwtjes. De lichte schouderstreep is niet onderbroken (uitroepteken bij man Variabele waterjuffer). De mannetjes hebben op S2 een kenmerkende zwarte U-tekening, die niet verbonden is met de onderrand van het segment. Bij de vrouwtjes is ten opzichte van donkere Variabele waterjuffers het halsschild determinerend.

Samen met Kees pakken we de spullen: schepnetjes en bakjes voor een insecten onderzoek in de grote poel. We installeren ons vlakbij de Grote poel en houtenbrug, korte loopafstand en zo kunnen de insecten we snel terug in het koele water. Als we de eerste ‘trek’ uitzoeken zien we kleine libellenlarven in het water zitten, deze vervellen 2 – 4 keer. Hierna klimt de larve uit het water, kruipt omhoog langs bv een rietstengel of bies, en kruipt dan aan de bovenzijde uit het huidje (dat achter blijft):

Gewoon bootsmannetje (larve/ nimf) Notonecta glauca Linnaeus, 1758

 

libellelarvehuid van uitgeslopen libelle

 

Notonectidae (Bootsmannetjes)
Gewoon bootsmannetje (larve/ nimf) (Notonecta glauca)

Een omvangrijke kosmopolitische familie. In Nederlanden Belgie komt daarvan alleen het genus Notonecta voor met zes soorten. Ook wel rugzwemmers genoemd, omdat ze met hun buik naar boven zwemmen. Het zijn uitstekende zwemmers en vliegers, maar bewegen zich onbeholpen op het land. Het zijn roofdieren met allerlei prooien ook insecten, die in het water zijn gevallen. Ze jagen hun prooi actief na.

Ze komen naar het wateroppervlak om hun voorraad lucht aan te vullen. Die toevoer van lucht wordt voor het grootste deel aan de buikkant tussen haartjes opgeslagen. Door die grote voorraad lucht zijn ze licht en drijven ze naar boven als ze niet zwemmen of zich vasthouden.

Bootsmannetjes zijn vaak vanaf foto's te determineren, maar alleen als de rug is gefotografeerd. Dus niet vanaf foto's van de buikzijde. Zet a.u.b. die foto's bij Notonecta spec. Nimfen (geen ontwikkelde dekvleugels) zijn ook niet te determineren.

Jonge wantsen (nimfen) zijn, als ze uit het ei komen, ongevleugeld; de vleugels groeien, in de loop van een aantal vervellingen, tot het volwassen formaat uit. Wantsen hebben een onvolledige gedaanteverwisseling, ze kennen namelijk geen verpopping. Een nimf ziet er meestal al hetzelfde uit als een imago (volwassen insect), maar dan zonder de vleugels. Bij sommige soorten hebben de nimfen felle kleuren als rood of geel om vijanden af te schrikken. Onder de wantsen zijn enkele soorten die een vorm van broedzorg kennen, waarbij de ouders hun eitjes of nimfen beschermen. Soms beschermen ze ook elkaars nimfen, wat uitzonderlijk is bij insecten. De volwassen wants is in de Natuurtuin op 2019-06-15 geregistreerd, de wantsen soortenlijst telt op dit moment 71 soorten.

Als we in de sorteerbak roeren zie ik -tussen de mee geschepte Waterviolier, snel op het water lopend, spinnetje. Maak zoals altijd een bewijsfoto en zoek uit welke soort is het?, de:

Poelpiraat (Pirata piraticus)Poelpiraat Pirata piraticus (Clerck, 1757)

De Poelpiraat is een spin die behoort tot de wolfspinnen. De soort komt voor in grote delen van Europa. Het vrouwtje is 4,5 tot 9 mm groot, het mannetje wordt 4 tot 6,5 mm. Het kopborststuk is gelig of groenig. Het achterlijf is middel- tot olijfbruin. Aan beide kanten van het kopborststuk en achterlijf zit een witte band. De poten zijn groenig geel gekleurd. De poelpiraat komt voor in stilstaande of langzaam stromende wateren in het Holarctisch gebied.
Waterroofkevers (Dytiscidae) zijn een familie van insecten uit de orde kevers (Coleoptera). De verschillende soorten worden gekenmerkt door de op het leven onder water aangepaste en roofzuchtige levenswijze.

larve Waterroofkever (Dytiscidae)larve Geelrand onbekend (Dytiscus spec)

 

Ook zitten er twee soorten waterroofkevers larven in de bak, die vervellen ook een aantal keren. Soms vind je het uitgetrokken huidje drijvend in het water. Ze hebben twee ‘knijptangen’ waarmee ze hun prooien vangen en vasthouden met foerageren.

Volgende keer meer over Vogels in en rondom de Natuurtuin.

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ in de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel

Voorjaar Tussendoortje-1, Lente in de Natuurtuin ‘De Robbert’.

Diverse insectensoorten in de Natuurtuin.

Donderdag (2020-05-14), Vorige week werd het plan opgevat voor een ‘tussendoor’ onderzoekje. Met volmondig JA is gereageerd op de vraag. Vooruit lopend op de komende maai beurt, om nog extra te kijken naar de flora en fauna in de Natuurtuin. Vele planten zijn ontwaakt uit de winterperiode, daar profiteren de insecten nu volop van. Stan en Wil lopen de verschillende planten biotoopjes langs -op zoek naar nieuwe plantensoorten en zelf neem ik de insectengroepen. Vandaag heb nogal wat larven/nimfen in mijn vangnet. Nu in het voorjaar leer je deze eerste levens fase van de wantsen en ander insecten kennen. Ze zijn prachtig getekend en zien er al zo volmaakt uit. Bij sommige soorten volgen er nog drie soms vier veranderstadia voor ze volwassen zijn.

Grote bonte graswants (Nimf) (Leptopterna dolabrata)Grote bonte graswants (Nimf)Leptopterna dolabrata (Linnaeus, 1758)

De grote bonte graswants is een insect uit de familie van de blindwantsen.

Het volwassen exemplaar is op: 2019-06-08 aangetrofen.

 

 

 

 

Aardappelprachtblindwants (Nimf) (Closterotomus norwegicus)Aardappelprachtblindwants(Nimf) Closterotomus norwegicus (Gmelin, 1790)

De Aardappelprachtblindwants is een wants uit de familie van de blindwantsen.

Het volwassen exemplaar is op: 2019-06-08 aangetrofen.

Ook zijn er andere insecten en planten aangetroffen in de Natuurtuin neem een kijkje op de website van waarneming.nl en ervaar hoe soortenrijk de Natuurtuin is. Klik op de link voor het foto soortenrijke overzicht.

https://waarneming.nl/locations/15502/photos/?advanced=on&page=1

 

Fraaie schijnbok (Oedemera nobilis)Fraaie schijnbok Oedemera nobilis (Scopoli, 1763)

De fraaie schijnboktor of fraaie schijnbok (Oedemera nobilis) is een keversoort uit de familie schijnboktorren (Oedemeridae).

 

 

 
 
 
 

Gewone meikever Melolontha melolontha

Gewone meikever Melolontha melolontha (Linnaeus, 1758)

De meikever of gewone meikever (Melolontha melolontha) is een insect uit de orde kevers (Coleoptera) en de familie bladsprietkevers (Scarabaeidae). De meikever is met een lengte tot 3 centimeter een middelgrote soort, de kleur van de dekschilden en de poten is kastanjebruin. Het gehele lichaam is voorzien van een fijne, witte beharing en de segmenten van het verder zwarte achterlijf hebben aan weerszijden driehoekige witte vlekjes. De antennes hebben een oranje kleur en eindigen in een langwerpige verdikking. Deze bestaat echter uit verschillende lamellen die eenmaal uitgewaaierd duidelijk zichtbaar zijn en worden gebruikt bij het zoeken naar voedsel of een partner. De meikever staat bekend als een belangrijk plaaginsect, omdat de larven schade kunnen toebrengen aan door de mens geteelde gewassen. De larven eten wortels van planten en kunnen een verwoestende uitwerking hebben op moestuinen en gazons.

 

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ in de Natuurtuin ‘De Robbert’

 

Voorjaar Start-7, Lente in de Natuurtuin ‘De Robbert’.

Grote insecten en een Lastig duo in Natuurtuin.

Zaterdag (2020-05-09), Wanneer ik vanmorgen bijna bij de Natuurtuin ben, zie ik een geit -vrouwelijk ree- in het aangrenzend weiland. Het zijn herkauwende evenhoevigen, die zich kenmerken door het gewei van het mannetje. Ik kijk nog even over mijn schouder als ik van de fiets stap, en zie hoe ze me nakijkt of de ‘kust’ voor haar weer veilig is. Nu is het de TOP-tijd -voor het luisteren en bestuderen- van de uitbundige vogelzang. Zang is de pootprint voor herkenning van welke vogelsoort is aanwezig in de Natuurtuin.

Kleine karekiet (Acrocephalus scirpaceus) Kleine karekiet in rietkraag

Stan is al aanwezig, hij heeft de looppaden gemaaid. Hij laat me even later een filmpje zien met een groen bosje en het geluid van een vogel. Welke zingt daar? Welke vogelsoort is het ? De eerste conclusie na rijp beraad is Bosrietzanger! Acrocephalus palustris – Rietzangers. Een grijs/bruin kleine vogel, die met vele andere grijs/bruine soorten verwisseld wordt. Bosrietzanger en Spotvogel zijn trekvogels die pas laat in het voorjaar arriveren. Hun zang is lastig te onderscheiden. Allebei zijn het meesterimitators, die geluiden van andere vogels in hun zang verwerken.

Klik op de link voor info en zang:

https://www.sovon.nl/nl/actueel/nieuws/late-zomergasten-een-lastig-duo

Of lees de vogel info en luister de zang in de online vogelgids van Vogelbescherming:

https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-over-vogels/vogelgids

De zon schijnt volop en de buitentemperatuur loopt op, tijd voor insecten onderzoek. Met gebruik van het klopnet vang ik vele soorten o.a. Kevers, Krekels, Wantsen ect. Tref naast een handje vol een Wantsen aan. Het is een nieuwe soort voor steeds langer wordende Wantsenlijst, de:

 

Sombere dartelwants (Peritrechus geniculatus)Sombere dartelwants Peritrechus geniculatus (Hahn, 1832)

De bodemwantsen (Lygaeidae) leven vooral op de bodem van zaden (niet alle soorten) en hebben vaak wat sombere kleuren (grijs, zwart, bruintinten). Een uitzondering zijn de kleurige ridderwantsen uit de subfamilie Lygaeinae. Er zijn in Nederland tien subfamilies. Henry (1997) heeft een indeling gemaakt, waarin de familie verheven is tot de superfamilie Lygaeidea en veel subfamilies tot families (Vooral in Amerika veel gebruikt).

Onderfamilie Rhyparochrominae - rookwantsen. Tribus Rhyparochromini. Genus Peritrechus.

Genus Peritrechus : Alle soorten zuigen polyfaag aan zaden en leven hoofdzakelijk op de bodem. Een algemeen kenmerk is een lichte vlek aan de zijkant van het halsschild (vaak niet goed zichtbaar). De voordijen hebben slechts een of twee kleine stekels.

Herkenning:

  • 5-5,9 mm.
  • Langvleugelig (macropteer).
  • Zwarte antennen.
  • De kop, het schildje (scutellum) en het voorste deel van het halsschild (pronotum) zijn zwart. Het achterste deel van het halsschild is bruin en zwart gepuncteerd. Het schildje met een Vvormige bruine tekening op het eind.
  • De voorvleugels zijn grijsbruin met donkere lijnen en spikkels. De zijrand van de voorvleugels (gedeelte corium) heeft een smalle geelachtige rand. Het bruine membraan (doorzichtige deel van de voorvleugels) heeft witachtige aders.
  • Zwarte dijen (meestal lichtbruin bij de 'knieen'). De geelbruine voor- en middenschenen zijn proximaal donker. De achterschenen zijn bijna altijd zwart.

Voorkomen: In Nederland zeer algemeen in het binnenland en in de duinen, elders zeldzamer. Europa, van zuidelijk Scandinavie tot in het Europese deel van het Middellandse Zeegebied. Naar het oosten tot in West-Siberie, Kaukasus en rond de Kaspische Zee

Biotoop: Droge tot matig vochtige gebieden met grassen. Zowel open als halfschaduwrijke gebieden. Geen echte voorkeur voor een bodemsoort, zijn vaak algemener op zandgronden.

Ontwikkeling: Volwassen wantsen van de nieuwe generatie verschijnen vanaf eind juli of in augustus. Een generatie per jaar.

Overwintering: De volwassen wantsen overwinteren.

Voedsel: Fytofaag: Zaden op de bodem en in de planten. Mogelijk (niet bewezen) zijn grassen als voedingsplant belangrijk.

Mijn Werktafeltje is opgezet nabij de natuurlijke Zuidelijke poel. Tijdens de onderzoek werkzaamheden hoor Ik op de achtergrond in het riet de zang van de Kleine karekiet Acrocephalus scirpaceus . Ook zo’n grijs/bruine zanger die op zicht bijna niet te onderscheiden is van de andere familie soorten. Kijk voor meer in info op de online Vogelgids. Tijdens de zang een geluid opname gemaakt zag ik een Bruine korenbout rond vliegen. Een prachtige ‘echte’ libel. De vrouwtjes en jonge mannetjes van de Bruine korenbout zijn door hun oranjebruin achterlijf met zwarte wigvormige lengtestreep onmiddelijk herkenbaar. Ook zit er even later een groot insect in het net, als ik het net uitschut in de ‘witte’ bak blijkt het een Distelboktor te zijn. Opvallend zijn de lang gebogen zwart/witte voelsprieten.

Bruine korenbout (Libellula fulva)Bruine korenbout is een libellensoort uit de familie van de korenbouten, onderorde echte libellen. Het is een opvallende oranje verschijning die in Nederland vrij zeldzaam is. Libellula fulva is in 1764 wetenschappelijk voor het eerst beschreven door Müller.

 
 
 
 
 
 
 
 

Gewone distelboktor (Agapanthia villosoviridescens)Gewone distelboktorDe gewone distelboktor, distelbok of distelboktor (Agapanthia villosoviridescens) is een keversoort uit de familie van de boktorren (Cerambycidae). De wetenschappelijke naam van de soort werd voor het eerst geldig gepubliceerd in 1775 door De Geer. De zwartstreepsmalbok wordt ook wel distelboktor genoemd.

Nog meer verschillende insecten vang ik met het klopnet, bekijk deze dieren en maak een foto, net zoals alle andere waarnemingen die gemeld zijn op waarneming.nl Link: Helmond – Bundertjes, Noord-Brabant: https://waarneming.nl/locations/15502/

Volgende keer meer over de vogels in de Natuurtuin ‘De Robbert’
 

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel

Voorjaar Start-6, Lente in de Natuurtuin ‘De Robbert’.

Zaterdag (2020-05-02), Vanmorgen -de dag begon fris met zon_ goede weersomstandigheden tijdens de vogeltelling langs de ‘oude’ Zuid-Willemsvaart. Hoor hier nu in de rietkragen, de eerste Kleine karekieten Acrocephalus scirpaceus van dit jaar. Deze 12 gram zware vogeltjes zingen de hele dag door in het riet. Even verder op in een klein boompje -zit op het uiterste hoge takje- om het terrein te over zien, een Roodborsttapuit.

Roodborsttapuit (Saxicola rubicola) Roodborsttapuit Saxicola rubicola (Linnaeus, 1766) Een kleine zangvogel die vroeger behoorde tot de familie lijsters, met de opmerkelijke eerste veld kenmerken, donkere zwart/bruine kop met ‘witte sjaal’ en oranje/rode borst. Het is geen meesterzanger de alarmroep zal eerder opvallen dan de zang. Het geluid wat deze ‘zanger’ produceert lijkt op -het tegen elkaar ketsende, regelmatig tikken- achter elkaar van twee kiezelsteentjes. Vandaar de Engelse naam Stonecat.

Even later loop ik rond met Stan door de Natuurtuin. We zien dat de ontwikkeling van de planten in de natte plaatsen de laatste week snel gegaan is. Binnenkort is het een ‘wilde’ bloemen zee. Op de achtergrond horen we continu op de achtergrond de roep van de Koekoek.
Wel vijftig maal het zelfde roepje "koe-koek" "koe-koek".

Koekoek (Cuculus canorus)KoekoekCuculus canorus (Linnaeus, 1758) Het geluid van de koekoek is van ver te horen. Alleen man roept sonoor "koe-koek", de vrouw heeft een hinnikende triller. De soort heeft spitse vleugels en een lange staart. Vliegt met een snelle vleugelslag waarbij de vleugels nauwelijks boven het lichaam uitkomen. De koekoek zit vaak op een open plek met afhangende vleugels en nauwelijks zichtbare poten. Mannetjes hebben een effen blauwgrijze borst, kop en bovenzijde. De witte buik met zwarte bandering is scherp gescheiden van de blauwgrijze borst. Het kleed van vrouwtjes kent twee varianten, een grijze en een bruine. Koekoeken leggen één of enkele eieren in de nesten van andere vogels, de waardvogels, in totaal kan dat bij zo'n 25 nesten gebeuren. Wel ca. 20 vogelsoorten kunnen bezoek krijgen van het vrouwtje, die hun een broedseizoen lang bestemd tot pleegouders. Legt een Koekoek een ei in het nest van een Kleine karekiet het jaar erop zoekt zij weer een nest van deze vogelsoort op.

In mijn schooltijd zijn door Rizla een 2 tal vogelboekjes uitgegeven ‘Zo leer je vogels kennen’ deel 1 (1960) door Ko Zweers en deel 2 (1961) geschreven door Rinke Tolman. Bovenstaande aquarel plaatjes zijn te zien in deze albums, 100 vogelsoorten zijn beschreven in deze serie. Kan me nog herinneren dat ik Deel 1 met een leerling ruilde, voor een pakje ‘Bazooka bubble gum’ kauwgom.

Nog net voor een aanstormende regenbui ving ik met het klopnet een paar wantsen de; Voorjaars eikenblindwants Harpocera thoracica , een Donsblindwants Psallus spec. en deze mooi gekleurde en getekende:

Geribde prachtblindwants (Miris striatus)Geribde prachtblindwants Miris striatus (Linnaeus, 1758)

Familie Miridae - blindwantsen. Een opvallende eigenschap van blindwantsen is het ontbreken van puntogen (ocelli), waarvan veel wantsen (niet alle) er twee of drie op de kop hebben (vandaar de naam blindwants voor de Miridae).

Herkenning:

  • 9,2-11,8 mm.

  • Langvleugelig (macropteer).

  • Antennesegment 1 is roodbruin tot zwart, segment 2 is bruin tot zwart. Segment 3 is bruinachtig, maar proximaal licht. Segment 4 is bruinachtig.

  • De kop is zwart met naast het oog een kleine gele vlek.

  • Een zwart halsschild (pronotum) met gele tekening, een zwarte schildje (scutellum) met meestal twee gele strepen.

  • Zwarte voorvleugels met gele aders en met gele lengtestrepen tussen de aders. De cuneus (uiteinde van het hoornachtig deel v.d. voorvleugel) is van geel tot oranjerood zonder een zwarte punt. Het membraan (vliezig deel v.d. voorvleugel) is zwartbruin met gele of oranjerode aders.

  • Donkerbruine of roodbruine poten. Schenen hebben zwarte stekels. De voeten (tarsi) zijn zwart.

  • De zwarte nimfen met gele tekening lijken op mieren.

Voorkomen: zeer algemeen in Nederland in 2010. Palearctisch: Europa, Noord-Afrika (Canarische eilanden) en Azie (Turkije). (Kerzhner & Josifov 1999, Aukema et al. 2013).

Biotoop: bosranden, houtwallen, parken, tuinen.

Ontwikkeling: volwassen wantsen van mei tot eind juli. Een generatie per jaar.

Overwintering: __ overwintert als ei.

Voedsel: zoofytofaag: jong blad, groeipunten en rijpende zaden van vooral Eik Quercus sp . en sporkehout Rhamnus frangula. Ze komen echter ook voor op appel ( Malus sp. ), berk ( Betula sp. ), els ( Alnus sp. ), hazelaar ( Corylus avellana ), iep ( Ulmus sp. ), meidoorn ( Crataegus ), peer ( Pyrus sp. ), sleedoorn ( Prunus spinosa ), wilg (Salix sp. ). Maar zowel nimf als imago zijn vooral roofzuchtig en leven van bladluizen (Aphidoidea), wol- en schildluizen (Coccoidea), rupsen en poppen van verschillende bladmineerders en bladrollers en larven van bladkevers (Chrysomelidae).

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ vanuit de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel

Gierzwaluw (Apus apus)Voorjaar Start-5, Lente in Natuurtuin ‘De Robbert’

Zaterdag (2020-04-25), Vanmorgen tegen het afsluiten van de wekelijkse vogeltelronde in de Natuurtuin, tegen 9.00uur zagen we ze -boven in het luchtruim- zwierend en rondjes draaien tegen het blauwe zwerk. Ruim voor Koningsdag is de zomervogel bij uitstek de Gierzwaluw weer terug vanuit Congo (Afrika). Nu klinkt het gierend geluid binnenkort weer door de straten in de woonwijken. ‘Duivelsvogels’ werden ze vroeger genoemd van wege hun zwarte verschijning en schrikaanjagend gekrijs: een snerpend schril ziiirrr of srie- srie- srie-, dat onophoudelijk in de vlucht wordt gezongen.

Vanmorgen in de Natuurtuin ‘De Robbert’ -na de vogeltelronde- het klopnet weer gebruikt, opzoek naar aanwezige Wantsen en andere insecten. Ook vanmorgen diverse soorten: 10 wantsen soorten en enkele andere leuke insecten zoals deze Roodtipbasterdweekschild.

De Roodvlekweekkever (Malachius bipustulatus) (Linnaeus, 1758), ook wel roodtipbasterdweekschild genoemd, is een keversoort uit de familie van de bloemweekschilden (Melyridae).

Roodvlekweekkever (Malachius bipustulatus)

Een nieuwe Wantsensoort in de Natuurtuin vanmorgen.

Anthocoris limbatus, Fieber 1836

Voorkomen: in Nederland zeer algemeen. Onderfamilie Anthocorinae. Genus Anthocoris.

De wantsen uit het geslacht Anthocoris zijn, zoals de meeste Anthocoridae, van foto lastig (tot vrijwel niet) op naam te brengen. Ze zijn altijd langvleugelig. Zie voor algemene info onder Anthocorisspec.(Belgie: Anthocoris spec. )

Anthocoris limbatus

Herkenning:

  • 2,9-3,5 mm.

  • Langvleugelig (macropteer).

  • Bruine of zwarte antennes. Antennesegment 1 is vaak heel licht, segmenten 2 en 3 hebben soms een geelachtige eerste helft en segment 4 een geelachtige basis.

  • Zwarte kop en schildje (scutellum), het halsschild (pronotum) is voor een groot deel zwart, maar met een geelachtige of geelbruine achterrand.

  • De voorvleugels zijn glanzend, met korte lichte haren en variabel van kleur. Soms helemaal licht of met een bruine clavus (smal driehoekig vlak tussen schildje en hoornachtig deel v.d. voorvleugel), achterkant van het corium (hoornachtig deel v.d. voorvleugel) en cuneus (uiteinde van het corium). Een wit membraan (vliezig deel v.d. voorvleugel) met achter een bruinachtige vlek, of bruinachtig met witte vlekken aan de zijkant en bij de basis (over elkaar gevouwen zie je drie grote witte vlekken).

  • Bruine poten.

Voorkomen: in Nederland algemeen. Europa tot in Siberie. Vooral in het noorden (Pericart 1996b).

Biotoop: op wilgen, vooral breedbladige soorten.

Ontwikkeling: de volwassen wantsen zijn waargenomen van midden april tot eind oktober en eind december tot eind januari. Adulten van de nieuwe generatie verschijnen in juli en september.

Overwintering: de volwassen wants overwintert.

Voedsel: zoofaag op wilg ( Salix ), vooral breedbladige soorten als boswilg ( Salix caprea ), geoorde wilg ( Salix aurita ) maar ook op katwilg ( Salix viminalis ). Bladluizen en schildluizen als prooi.

Groene bladsnuitkever (Phyllobius pomaceus)Groene bladsnuitkever (Phyllobius pomaceus, Gyllenhal) 1834

De groene bladsnuitkever is een slanke, langwerpige snuitkever van zeven tot negen millimeter lang. Het exoskelet is bedekt met glanzende ovale schubben. Deze zijn meestal goudgroen, maar de kleur kan variëren van blauw tot groen of koperrood. Deze schubben kunnen makkelijk worden verwijderd, waardoor beschadigde exemplaren bijna zwart kunnen lijken. Het voorste dijbeen heeft een opvallende tand. De larve is tot acht millimeter lang, heeft een crèmewit lichaam en een donkere kop.

De groene bladsnuitkever kan verward worden met de grote bladsnuitkever (Phyllobius glaucus). De schubben van deze verwante kever zijn echter spits en langwerpig en de poten zijn geheel of gedeeltelijk helder geel of roodachtig geel.

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ vanuit de Natuurtuin ‘De Robbert’

 

Voorjaar Start-4, Volop Lente in de Natuurtuin ‘De Robbert’.

uitdraai waarneming.nlZaterdag (2020-04-18), Vanmorgen door fietsend, langs witte- en gele bonte bloembermen gevormd door de bloemen van Fluitenkruid, Look zonder look, Pinksterbloemen en Witte dovenetel en het gele bloemen lint is samen gesteld door: plaatselijk Gele dovenetel, Paardenbloem, Speenkruid en vele lange Raapzaad stroken. Hoor tal van zingende vogels onderweg, elke week sluiten er nieuwe verschillende soorten vanuit Afrika aan. Afgelopen week hoorde ik voor het eerst dit jaar de zang van de: Bonte vliegenvanger, Gekraagde roodstaart en Boompieper. Langzaamaan komen vele bekende vogelsoorten terug van de lange reis. Kijk nu al uit naar de: Huiszwaluw, Koekoek, Wielewaal en Kleine karekiet. Maar met Koningsdag zal de Gierzwaluw toch ook weer te zien zijn en al gierend door de woonwijken en -straat vliegen, nog effe geduld. Vanmorgen in de Natuurtuin ‘De Robbert’ -na de vogeltelronde- het klopnet gebruikt om te kijken welke de Wantsen er zoal te vinden zijn in het vroege voorjaars groen. Verschillende insecten zaten in het klopnet en ook diverse soorten Lieveheersbeestjes. Heb van het 1ste kwartaal (onderzoek) 2020 alvast een overzicht gemaakt met de wantsensoorten die in deze lente Natuurtuin zijn aangetroffen. Onderaan de overzichtslijst staan de soorten van zaterdag 2020-04-18. Alle voorkomende wantsenfamilies in Nederland, verdeeld in landwantsen (24 families) en water- en oppervlaktewantsen (12 families) zijn op volgorde gezet, zoals deze door waarneming.nl worden gehanteerd.

Een nieuwe Wantsensoort in de Natuurtuin vanmorgen, 6-6,8 mm groot:

Voorjaarseikenblindwants (Harpocera thoracica)Voorjaarseikenblindwants (Harpocera thoracica)

Familie Miridae - blindwantsen: Een opvallende eigenschap van blindwantsen is het ontbreken van puntogen (ocelli), waarvan veel wantsen (niet alle) er twee of drie op de kop hebben (vandaar de naam blindwants voor de Miridae).

Voorkomen: in Nederland zeer algemeen. Palearctisch: Europa, Azie (het Midden-Oosten, de Kaukasus). (Kerzhner & Josifov 1999, Aukema et al. 2013).

Biotoop: bossen, houtwallen, parken, tuinen.

Ontwikkeling: de volwassen wantsen worden waargenomen van begin april tot eind juni (vrouwtjes soms langer). Een generatie per jaar.

Overwintering: als ei.

Voedsel: zoofytofaag. Zomereik **Quercus robur en wintereik Quercus petraea. Incidenteel bladluizen.

Voorjaarseikenblindwants (Harpocera thoracica)Gewone bloemwants  (Anthocoris nemorum)

Familie Anthocoridae - bloemwantsen: kleine tot zeer kleine roofwantsen (3,4-4,5 mm). Soms monofaag, dan zijn ze gebonden aan een prooi, die op een bepaalde waardplant zit. De familie is verdeeld in de onderfamilies Anthocorinae en Xylocorinae (syn. Lyctocorinae)

Voorkomen: in Nederland zeer algemeen. Europa, Azie (Pericart 1996b).

Biotoop: op allerlei loofbomen en kruiden, vooral op grote brandnetel.

Ontwikkeling: de volwassen wantsen worden het hele jaar waargenomen. Adulten van de nieuwe generaties verschijnen vanaf juni en begin september. Twee generaties per jaar, soms in de herfst een derde generatie.

Overwintering: de volwassen wantsen (vooral vrouwtjes) overwinteren. Soms ook de oudere nimf.

Voedsel: zoofaag. Spintmijt, bladluizen en allerlei andere kleine insecten. Ze zuigen incidenteel ook aan planten.

Vanmorgen tijdens de onderzoek ronde zag ik ook de:

SchapenteekIxodes ricinus (Linnaeus, 1758) tegen. Deze diertjes kunnen al vroeg in het voorjaar voor problemen zorgen door een tekenbeet bij de mens. Hieronder heb ik een link geplaatst van de Tekenradar voor informatie over de tekenbeet en hoe te handelen mocht er een teek op je lichaam te vinden zijn. https://www.tekenradar.nl/teken/teken

Over de teek: Teken zijn geleedpotigen en lijken op kleine platte spinnetjes. Teken behoren dan ook tot de spinachtigen (dierklasse Arachnidae, subklasse Acari). Teken ondergaan vier levensstadia: ei, larve, nimf en volwassen teek (zie onderstaande foto’s). De larve heeft zes poten maar de nimf en de volwassen teek hebben acht poten.

Schapenteek (nimf, laatste stadia)
Schapenteek (volwassen)

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ vanuit de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel

Voorjaar Start-3, Volop Lente in de Natuurtuin ‘De Robbert’.

Zaterdag (2020-04-11), Deze week is de Lente in al zijn facetten ‘losgebarsten’ in de Natuurtuin. Terwijl ik mijn fiets weg zet bij de werkcontainer, valt gelijk op dat de bladontplooiing afgelopen week - van planten, struiken en bomen- in 1 week tijd snel gegaan is. Ook de groei van vele bloemen en planten is bijna voltooit. Onderweg vanmorgen naar de Natuurtuin hoorde ik vandaag voor het eerst dit jaar de Grasmus zingen. 

Grasmus (Sylvia communis)

GrasmusSylvia communis

De eerste ‘onopvallende’ Grasmussen arriveren in de tweede helft van april. Deze vogel -een van de vier Sylvia soorten- die in ons land voorkomen is het minst aan bomen gebonden. In veel gevallen is de Grasmus een pioniersoort van jonge vegetaties. Maar zijn ‘krassende’ zang viel mij vanmorgen gelijk op, dat deze Afrika-ganger weer terug is van weggeweest. Zang is kenmerkend, op en neer gaand riedeltje, tamelijk scherp en krassend. Zit veel variatie in. Roep onder meer een karakteristiek hees "tsjèrrr". Ondanks zijn naam is de grasmus niet nauw verwant aan de huismus. de grasmus een opvallende witte keel, maar wel een iets lichter grijze kopkap. Het grootste verschil met de braamsluiper is de roestoranje kleur van de vleugel. De rug is ook bruin, met iets meer oranje tint. De poten zijn oranje (grijs bij de braamsluiper), en het mannetje heeft een opvallende roze borst en een grijze kopkap.

Tuinfluiter (Sylvia borin)

Een andere vogel van de Sylvia soorten is de Tuinfluiter die komende week kan arriveren. 

TuinfluiterSylvia borin

Eind april is de Nederlandse tuinfluiter weer terug. Een 'Nachttrekker wordt de vogel genoemd. De Tuinfluiter komt algemeen voor in Nederland. Hij heeft subtiele kenmerken en is vooral grijs en beigebruin. De tuinfluiter is verwant aan de zwartkop en heeft een deels vergelijkbare zang. Houdt zich veelal op in struikgewas en is moeilijk te zien, maar vaak goed te horen. De zang wordt vaak gekarakteriseerd als een 'snelle merel' en lijkt soms verwarrend veel op de zwartkop, maar mist de heldere luide tonen. Het geluid bestaat uit zachte tonen en lijkt nog wel het meest op een versneld afgespeelde opname van een merel. Zang lijkt op die van zwartkop, maar mist de heldere fluittonen. Wellicht is de komende week deze Afrika-ganger al weer te zien en zijn zang te horen in de Natuurtuin.

Dierenzoeker-app beschikbaar

Voor de jonge- en beginnende natuuronderzoeker is een: Dierenzoeker-appbeschikbaar.

Een leuke handige app van Naturalis Biodiversity Center: Blijf verbonden met de natuur: thuis op ontdekking.

11-APR-2020 - De natuur ontdekken gaat altijd door, ook als we aan huis gebonden zijn. Juist nu het leven even stil lijkt te staan, hebben we meer oog voor de wondere wereld van de natuur. Hiervoor hoef je niet diep de bossen in: Naturalis maakt dit mogelijk in en om je huis.

Wanneer je de smaak te pakken hebt en op expeditie in eigen tuin bent gegaan, kan het zijn dat je dieren tegenkomt die je nog nooit eerder gespot had. Als een echte bioloog wil je natuurlijk de naam achterhalen. Dit kan met de Dierenzoeker-app, die de soort voor je achterhaalt.

https://www.dierenzoeker.nl/www/app/static/dierenzoeker/mobiel.php

Maak gebruik van de Dierenzoeker-app en ontdek de dieren in je tuin of kom naar de Natuurtuin ‘De Robbert’.

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ vanuit de Natuurtuin ‘De Robbert’

 

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel

>Voorjaar Start-2, Lente in de Natuurtuin ‘De Robbert’.

Zaterdag (2020-03-21), Vanmorgen hoorde ik op de radio:

Ging je gisteravond nog in de Winter slapen, word je vandaag toch mooi in de Lente wakker”

Jac. P. Thijsse schreef in zijn eerste verkade album (1906) Lente bij het hoofdstuk In Bosch en Park:

Slapend, droomend of half wakend hebben tal van planten en dieren den Winter doorgebracht onder mos en bladeren. Als nu de Lente komt, dan wordt het voor de planten zaak, den deken af te werpen, zich te bevrijden van de dekkende bladerlaag “ .

Nu is het Lente, een nieuw jaargetijde met vele buiten activiteiten staat voor de deur. Vele vormen van voorjaarsboden zijn te zien in de natuur. Ook in Natuurtuin begint een nieuw seizoen, van ontdekken leren en beleven. Elke week proberen we met het ‘Natuur Team ‘de Robbert’ de lezers en belangstellenden voor deze rubriek en een tipje van de ‘dekkende bladerlaag’ open te leggen. Kom eens langs en loop de natuurtuin in en beleef het zelf. Natuur doet je leven!

Kijk voor informatie op de website: https://www.stichtingoase.nl/natuurtuinde-robbert

Een frisse eerste Lente morgen -ondanks een heldere blauwe hemel met veel zonneschijn- met de sleutel draai ik het slot open van de toegangspoort. Hoor verschillende vogels fluiten -denk en constateer onbewust- die hebben ook het voorjaar in hun bol. Zie de Pimpelmezen bij hun nestkast en een zwarte kraai vliegt over met nestmateriaal in hun snavel. De toon voor vandaag gezet, het is LENTE! Terwijl ik loop -richting de grote poel- start ik met een LiveAtlas vogeltelling. Wanneer ik op de houten brug sta, zie ik dat het strijklicht -dat valt over het wateroppervlak- het licht de plantentoppen van de Waterviolier Hottonia palustris extra op.

Waterviolier, Hottonia palustris Onder het wateroppervlak zit dan de bladmassa, die bestaat uit veerdelige, kamvormige vlakke bladeren. Nog even en dan kun je midden in de lente en voorzomer, boven sloten met zoet water dat niet al te snel stroomt de rechtopstaande bloeiwijzen aantreffen van de Waterviolier, Hottonia palustris. De witte met licht lila schakeringen gekleurde bloemen hebben een oranje gele keel. Dat is de buis van de kroon, waar de kroonbladen ook met elkaar vergroeid zijn.

Waterviolier (Hottonia palustris)

Terwijl ik mijn vogeltelling bijna heb afgerond komt Wil over de brug mij achterop gelopen. We praten even bij -over wat de afgelopen dagen in de wereld is gebeurd- en stel voor om buitenom de Natuurtuin nog een vogeltelling uit te voeren. Onderweg zien we een groepje (8 exx.) Buizerd, Buteo buteo op voorjaarstrek richting het Noorden. Even later is het weer raak een groep van (33 exx.) Aalscholvers Phalacrocorax carbo in V-formatie vliegt ook richting Noord. Het zal toch niet langer ‘winter’ blijven? Terwijl we overal om ons heen de Tjiftjaffen Phylloscopus collybita en andere kleine zangvogels horen fluiten. Na ca. 50 min. zijn we weer in de Natuurtuin. Onderwijl ik de gegevens van de LiveAtlas telling bijwerk, zet Wil een lekker bakje koffie. Daarna lopen we nog even alle poelen langs op zoek naar ‘Schaatsenrijders’. Deze wantsensoort had ik van de week al op een andere locatie. Helaas hoe we ook kijken en speuren nog geen water- en oppervlaktewantsen te ontdekken.

Slootschrijvertje, Gyrinus Natans

Wel zie ik een aantal Slootschrijvertjes Gyrinus Natans op het wateroppervlak van de noordelijke poel cirkelen en kringelen, achter elkaar aan. Samen staan we gefascineerd te kijken naar deze vroege voorjaarsbode.

Het Schrijverke is algemeen bekend, door het gedicht van Guido Gezelle uit 1857 in romantische stijl. Het verscheen voor het eerst in zijn dichtbundel Vlaemsche Dichtoefeningen. Het gedicht gaat niet over een auteur, maar over een waterkever: het Schrijvertje, of mogelijk het Slootschrijvertje.

Het begint zo “O krinklende winklende waterding,. met 't zwarte kabotseken aan,. wat zien ik toch geren uw kopke flink. al schrijven op 't kopke flink al schrijven op 't waterke gaan!.”

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ vanuit de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel

Slootschrijvertje (Gyrinus Natans)

Voorjaar Start-1, in de Natuurtuin ‘De Robbert’.

Zaterdag (2020-03-14), Vanmorgen een uurtje eerder op. Wanneer ik vanmorgen de gordijnen openschuif, en de achtertuin inkijk, zie ik een vrouwtje Merel bezig met het verzamelen van nestmateriaal. Als ze me opmerkt staakt ze acuut haar bezigheden. Slim zijn ze in deze periode wanneer ze met nestbouw bezig zijn. Onderweg naar de Natuurtuin tel ik de zingende Tjiftjaffen. Bijna om de driehonderd meter zingt er een andere Tjiftjaf, en allemaal het zelfde ‘tweelettergrepige’ deuntje tjin tjun tjil tjil tjun tjun ti etc. Zo zingt de Tjiftjaf de hele dag, vanaf zijn aankomst in maart. Als ik door de toegangspoort loop, de Natuurtuin in, hoor ik ook hier de Tjiftjaf zingen. Samen met Stan doen we het eerste uur -de Liveatlas telling- dan hoor we achterin de tuin nog een tweede tjiftjaf zingen, maar na verloop valt zijn zang niet meer op en gaat samen met de altijd aanwezige achtergrond geluiden. Als ik na het rondje - ca. 50 min vogels tellen - de eindstand bekijk zijn er 24 vogelsoorten geteld. Een half uurtje later hoor ik nog 5 andere vogels zingen, die neem ik mee in de volgende telling. Het voorjaar is net gestart en elke dag komen er ‘nieuwe’ soorten terug vanuit de zuidelijke landen. We houden u op de hoogte van het verloop van de voorjaarstrek.

Na de vogeltelling maak ik enkele foto’s van opmerkelijke voorjaarsboden: in de grote poel grote wolken kikkerdril, bloeiende Sleedoorn en de nog altijd aanwezige hoge waterstand. Even later komt de ‘witte bak’ en het harkje weer van pas als ik probeer vroege Wantsen te scoren. Na enkele pogingen zitten de eerste Wantsen tussen de droge bladeren en grassen. De wantsenstand staat nu alweer vanaf januari t/m half maart 2020 op zestiensoorten.

Kortvleugelige zaagpoot (Scolopostethus affinis) Kortvleugelige zaagpoot Scolopostethus affinis (Schilling, 1829)

Net als bij veel andere genera van de familie bodemwantsen heeft het voorste dijbeen een grotere tand en diverse kleine. De zijkanten van het halsschild (pronotum) hebben een duidelijke lichte vlek net voorbij het midden. Wantsen uit het genus Scolopostethus zijn moeilijk uit elkaar te houden. De kleur van de antennes is daarbij een goede hulp. Alleen geeft dat niet altijd zekerheid, omdat die soms wat variabel kan zijn.

Herkenning:

3,1-4 mm.

  • Kortvleugelig (brachypteer) met een kort membraan, soms langvleugelig (macropteer).

  • Antennen: Segment 1 en 2 zijn lichtbruin, segment 3 en 4 zijn donkerbruin. (soms is de basis van segment 3 ook lichtbruin)

  • De kop, het schildje (scutellum) en het voorste deel van het halsschild (pronotum) zijn zwart. Het achterste deel van het halsschild is donkerbruin. Een lichte vlek aan de zijkant van het pronotum.

  • De voorvleugels zijn geelbruin met zwartbruin en zwart. Het membraan is witachtig (met bruine aders bij de langvleugelige wantsen). Bij de kortvleugelige exemplaren is het membraan kort, maar langer dan het membraan van S. thomsoni.

  • De poten zijn lichtbruin, de voordij kan ook donkerbruin zijn.

  • Op het mesosternum (gelegen aan de onderzijde van het borststuk) twee duidelijke haakjes bij de mannetjes en twee minder duidelijke knobbeltjes bij de vrouwtjes. (zie foto's onder)

bruine moswants (Drymus brunneus)Bruine moswants Drymus brunneus (R.F. Sahlberg, 1848).

Onderfamilie Rhyparochrominae - rookwantsen. Tribus Drymini. Genus _Drymus - _moswants.

Wantsen uit het genus Drymus zijn moeilijk uit elkaar te houden. Het zijn donkerbruine tot zwarte bodemwantsen, die op de bodem een vrij verborgen leven leiden, waardoor niet alles bekend is. D. brunneus en D. sylvaticus zijn het algemeenst.

Herkenning:

  • 3,6-5,4mm.

  • Meestal kortvleugelig (brachypteer), soms langvleugelig (macropteer).

  • De antennes zijn zwart, zwartbruin. Het bovenste deel van het laatste antennesegment is vaak lichtbruin.

  • De kop, het schildje (scutellum) en het voorste deel van het halsschild (pronotum) zijn zwart. Het achterste deel van het halsschild is donkerbruin.

  • De voorvleugels zijn bruin tot donkerbruin. In het midden zijn ze opvallend breed.

  • Van de poten zijn de dijen zwart, de schenen (tibia) donkerbruin en de tarsen (voeten) lichtbruin. Bij de schenen zijn geen rechtopstaande haren. (Bron en foto (r) waarneming.nl).

Tijdens het korte onderzoekje naar de wantsen deze morgen komen vijf soorten naar voren:

Kortvleugelige zaagpoot - Scolopostethus affinis (Schilling, 1829)

Bruine moswants - Drymus brunneus (R.F. Sahlberg, 1848).

Bonte zaagpoot - Scolopostethus pictus (Schilling, 1829)

Thomsons zaagpoot - Scolopostethus thomsoni Reuter, 1875

Bruine kortsprietwants - Agnocoris reclairei (Wagner, 1949)

Van de week kreeg ik reactie van de validator op een ingevoerde (20200215) Vlokreeft dat het ook een Amerikaanse vlokreeft Crangonyx pseudogracilis Bousfield, 1958 betreft.

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ vanuit de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel

Allerlei info over de boeiende diertjes 2

vangst in de Natuurlijke poelen van de Natuurtuin ‘De Robbert’.

Trichostegia minor Trichostegia minor (Curtis, 1834)

Deze onlangs (20200215) geziene Kokerjuffer in een van de poelen van de Natuurtuin De Robbert heeft nu ook een naam gekregen Trichostegia minor (Curtis, 1834). De validator van waarneming.nl bevestigde de waarneming.

De soort is opgenomen in de Verspreidingsatlas Nederlandse kokerjuffers (Trichoptera). In deze atlas staan vliegtijddiagrammen en verspreidingskaartjes (Nederland en Europa) van alle 181 in Nederland voorkomende kokerjuffers. Er wordt één soort per pagina behandeld.

Alle soorten zijn voorzien van een beknopte begeleidende tekst over hun habitat en ecologie.

Verspreidingsatlas Nederlandse kokerjuffers

Recensie door David Tempelman

In 2005 verscheen de lang verwachte tabel voor de Nederlandse kokerjufferlarven.

kaft gids waterjuffersVan de zelfde auteur, Bert Higler, is nu (begin 2008) ook een verspreidingsatlas verschenen. Als kokerjufferliefhebber is het een groot genoegen dit gidsje te lezen en bespreken.

Trichoptera brengen het grootste deel van hun leven als larve door. Ze worden dan kokerjuffer genoemd. Deze larven leven in het water en zijn afhankelijk van factoren als zuurgraad, stroming en aanwezigheid van vegetatie. Het volwassen stadium, de schietmot, eet niet en sommige soorten kunnen grote afstanden vliegen. Ze worden, als bijvangst, vaak op licht gevangen bij nachtvlinderonderzoek. Hoewel mooi zijn schietmotten dus ecologisch minder indicatief dan larven, omdat ze als volwassen dier soms ver van de plaats gevonden worden waar ze als larve hebben geleefd.

De atlas biedt voor elk van de inmiddels 181 in Nederland vastgestelde soorten een tekst over de identificatie, verspreiding, ecologie en status. Verder wordt een man/vrouw diagram en een tweetal verspreidingskaartjes getoond: een kaartje van Nederland, met pre- en post-1980 stippen en een kaartje van Europa met de landen waar de soort voorkomt donker gekleurd. Zo is veel essentiële informatie handzaam samengevat.

De teksten lezen allemaal heel prettig. De verspreidingskaartjes van een algemene soort als Triaenodes bicolor met vele honderden stippen in bijna heel het land laten zien dat van sommige soorten het verspreidingspatroon bijna volledig is. Is alles dan ook bekend? Dat is niet zo. Bij andere soorten zoals Ceraclea senilis lijkt Zuid-Holland wat incompleet. In het algemeen zijn de kleine wateren echter zeer goed ‘gedekt’. Bij de grote wateren (“rijkswateren”) lijkt dit minder goed gelukt. Zo wordt een soort als Hydropsyche bulgaromanorum ‘zeer zeldzaam’ genoemd, terwijl deze in monitoringprogramma’s van Rijkswaterstaat wel gevonden is. In de Limnodata (STOWA, 2002) staan bijvoorbeeld zo’n 30 waarnemingen, voornamelijk uit de IJssel en Psychomyia pusilla is gevonden langs de Waal. Rijkswaterstaat wordt niet als bron van gegevens genoemd; mogelijk kan die bron van informatie nog ontsloten worden. Het is jammer dat op die kaartjes niet te zien is of een stip een waarneming van een larve (of pop) of adult betreft. Zo zijn er op pagina 76 stipjes van een grotendeels in beken voorkomende soort; Hydropsyche angustipennis te zien uit Zeeland en Zuid-Holland, waar nauwelijks stromende wateren voorkomen. Waarschijnlijk betreft het hier adulte dieren - die van ver kunnen komen. Larven van Hydropsyche in Zeeland zou m.i. een sensatie zijn.

Met beide publicaties is er voor Nederland voor het eerst een zowel betrouwbare als goed toegankelijke bron van informatie voor verdere studie naar deze diergroep. Bij verdere studie valt te denken aan het maken van literatuur voor de determinatie van de poppen (en exuviae) van kokerjuffers. Daarvoor is nu nog het gebruik van diverse oude, buitenlandse tabellen nodig. Verder kunnen ook de schietmotten – de volwassen kokerjuffers dus – nog niet met een Nederlands gidsje gedetermineerd worden. Een schietmottenboek, met mooie habitusfoto’s is nu nog een droom maar komt misschien dichterbij met de talloze foto’s die op bijvoorbeeld waarneming.nl gemaakt worden. Wat betreft larven-ecologie valt te denken aan het maken van gevalideerde responsietabellen, waarbij de Limnodata en Steenbergen (1993) belangrijke bronnen kunnen zijn.

Al met al moeten we Bert Higler zeer erkentelijk zijn voor deze fraaie publicatie. Het is te hopen en verwachten dat deze atlas tot meer onderzoek aan deze schitterende dieren leidt.

Omvang: 244 pagina’s ISBN 978-90-76261-05-8 Prijs: EUR 15,-. Te bestellen door een bericht te sturen naar: EIS@naturalis.nl.

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ vanuit de Natuurtuin ‘De Robbert’

Allerlei natuur, vanuit Natuurtuin De Robbert.

Vanmorgen zaterdag (2020-02-22), wanneer ik fiets richting ’De Robbert’ lijkt het wel dat ik gedragen wordt op vleugels, met de storm Ellen in mijn rug. Al het derde weekend op rij dat er een storm raast over Nederland. De storm gaat gepaard met hevige windstoten. Flinke buien twee weken geleden zorgde de storm Clara nog voor flinke schade. Afgelopen zondag werden we geraakt door storm Dennis. Ondanks de storm, vooraf toch nog maar even een LiveAtlas – vogeltelling uitgevoerd, onder het motto ’elk lijstje is er een’, terwijl ik onderweg ben naar de Natuurtuin. Op zoek naar vogels in je leefomgeving door alleen maar te Zoeken met je vogelkijker, Speuren, en Luisteren. Het leverde 21 vogelsoorten op, als je dan naar zo’n totaal vogellijstje kijkt verbaast het je hoeveel vogelsoorten er aanwezig zijn op een oppervlakte van ca, 1 km2.

Als Natuurvorser: (“De natuurvorser” is een oud woord voor de onderzoekers van de “natuurlijke og een historie”, een term die een groot aantal natuurwetenschappen omvat. Het is echter ook een synoniem voor “zoeken”, en daar ligt een sterker verband: ik zoek de natuur op.) Dit weertype is zeker niet bevorderlijk voor het fijne onderzoek, vastleggen leggen en fotograferen van diertjes in de ‘open’lucht. Over een paar dagen, horen en zien we wellicht de gevolgen, welke nieuwe vogelsoorten zijn komen aanwaaien, en over een tijdje welke nieuwe insecten en wantsen er in de Natuurtuin te ontdekken zijn, dank zij de voorjaarsstormen. Vandaag een allerlei uitgave met aanvullingen op eerdere ontdekkingsberichten.

Haft larve
Gewone tweevleugel (Cloeon dipterum)

Vorige week kwam deze Haft (L) tijdens een schepnetsessie boven water. Deze week werd de soortnaam bekend het is de Gewone tweevleugel Cloeon dipterum (Linnaeus, 1761) Veruit de algemeenste haft in sloten, vijvers en langzaam stromende wateren. Leeft als nimfe tussen waterplanten en oevervegetatie. De soort Cloeon simile is schaarser en leeft in de mooiere slootjes en duinplassen in water wat niet zwaar door voedings-stoffen is belast. Cloeon dipterum kan daar juist zeer goed tegen. Haften hebben ook een stadium tussen larve (eigenlijk nimf) en volwassen, namelijk het subimago. Deze zijn te herkennen aan de ondoorzichtige vleugels.

De mannetjes en vrouwtjes zijn heel makkelijk uit elkaar te houden. De mannetjes hebben 'turbo-ogen'. Het achterlijf is deels wijnrood en de voorpoten zijn verlengd. De vrouwtjes hebben een opvallend bruine gekleurde rand langs de vleugels. (Bron en foto (r) waarneming.nl).

KokerwormVorige week verteld over een Kokerwormhuisje opgebouwd uit deeltjes van een rietstengel. Deze week nog een andere Kokerworm soort, deze Kokerworm komt uit de ‘natuurlijke poel’ (L) heeft zijn ‘huisje’ hoofdzakelijk samengesteld uit grasdeeltjes kwam meerdere exemplaren tegen tijdens het scheppen. 

Groot hoefblad (Petasites hybridus)Op de terugweg langs het Wilhelminakanaal zag ik dit jaar voor het eerst de bloei van het Groot hoefbladPetasites hybridus (L.) "G.Gaertn., B.Mey. & Scherb." Vroeg in de lente komen uit de wortelstokken de bloeiwijzen tevoorschijn. Het is een overjarige plantensoort en net als Klein hoefblad een soort waarvan de bloeiwijzen eerder verschijnen dan de bladeren. De grote bladeren komen in opgerolde toestand uit de wortelstokken te voorschijn en ontvouwen zich dan. Dit begint aan het eind van de bloeiperiode. Ze groeien uit tot rabarberachtige afmetingen met geribde stelen van wel 1 m lengte en enorme bladoppervlakken tot wel een halve meter groot. In het najaar sterven de bovengrondse delen van deze overblijvende plantensoort af. De komende week maar eens zoeken -in en rondom de Natuurtuin- naar het Groothoefblad.

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ vanuit de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel

boeiende diertjes in de poelen van Natuurtuin De Robbert.

Vanmorgen (2020-02-15), wanneer ik de wijk uit fiets richting ’De Robbert’ hoor ik de Vink regelmatig repeterend met zijn ‘vinkenslag’. Van de vinkenslag zijn veel varianten bekend. In elke streek van Europa klinkt de vink iets anders, maar toch blijft de algemene structuur ongeveer dezelfde, met de dalende notenreeksen. De eerste Vinken zingen al vanaf februari, maar het hoogtepunt ligt in mei en juni. Halve wege op mijn route hoor ik langs het Wilhelminakanaal vele vogels zingen o.a. Kool- en Pimpelmees, Boomklever, Roodborst, Boomkruiper en de verschillende kraaiachtigen. Als ik mijn fiets parkeer nabij de werkschuur, loop ik samen met Stan een rondje door de Natuurtuin. Wanneer we bij de onlangs geknotte wilgen komen zien we dat door het vele gevallen regenwater het voetpad -richting het hoger gelegen bosje- onbegaanbaar is. Op het terrein rondom de grote poel zijn de overstromingsplassen nog groter geworden, en nog -las ik afgelopen week in een bericht- dat het grondwaterpeil niet voldoende is aangevuld ?

Vandaag nog maar een schepnetsessie zoeken naar niet ‘algemene’ soorten in het water van de aanwezige poelen. Het eerste diertje in de ‘witte’slootjesbak is een slakje met een bijna doorzichtig glas huisje, zelf ook nooit eerder opgemerkt. Mijn ogen staan op steeltjes -net zoals het slakje zelf- als ik het van dichtbij bekijk, ‘klik’ een foto en plaats deze op waarneming. ’s Avonds het bericht en goedkeuring dat het gaat om:

Doorschijnende glasslak (Vitrina pellucida) 
Doorschijnende glasslak (Vitrina pellucida)

De doorschijnende glasslak (Vitrina pellucida) is een slakkensoort uit de familie van de Vitrinidae. De wetenschappelijke naam van de soort is voor het eerst geldig gepubliceerd in 1774 door O.F. Muller.

Herkenning: Huisje tot 6 x 4 mm. Glasachtig groen, geheel doorschijnend. Uiterst dunschalig , fragiel, langgerekt eivormig met tot minder dan 3 snel in grootte toenemende, windingen. De laatste winding is oorvormig verbreed en omvat bijna de helft van de totale breedte. De navel is zeer nauw, de mondopening dun, scherp of meer vliezig, niet verdikt. De sculptuur bestaat alleen uit fijnere groeilijnen. Het dier kan zich, anders dan bij veel andere soorten uit deze familie, nog vrijwel geheel in het schelpje terugtrekken. Het lichaam lijkt op dat van een naaktslak, is lichtgrijs of soms donkerder, de kop en koptentakels zijn zwart. Het dier is in verhouding tot Phenacolimax major altijd kleiner. De mantel heeft een smal, lobvormig uitsteeksel (mantelslip) dat tot aan, maar niet over, de beginwindingen van de schelp ligt.

Let op! Te verwarren met: Grote glasslak Phenacolimax major

Veel meer dan bovenstaande info die te vinden is op de Anemoon verspreidingsatlas Weekdieren, is er -tot nu toe- over dit slakje (nog) niet te vinden, wordt vervolgd.

 

Kokerworm

Kokerworm

Vlokreeft

Vlokreeft

Deze opmerkelijke waterinsecten kwamen ook naar boven bij het waterdiertjes onderzoek. Kokerwormen bouwen huisjes waarin ze beschermd kunnen leven. Uit allerlei plantaardig en sediment materiaal stellen de verschillende soorten op eigen wijze hun kokertjes samen. Zelfs slakkenhuisjes gebruiken ze. Deze week weer een andere vlokreeftsoort geschept. Onlangs een Amerikaanse vlokreeft, Crangonyx pseudogracilis (Bousfield, 1958) vast gesteld en goedgekeurd en dat allemaal leeft in de Natuurtuin. Naast de vlokreeft (rechtsonder) zie je ook een roeipootkreeftje, Cyclops vrouwtje met twee ei-zakjes.

Haft larveHaften (of Eendagsvliegen) zijn fragiele insecten uit de insectenorde Ephemeroptera. Ze behoren tot de oudste nog levende gevleugelde insectensoorten en vliegen al miljoenen jaren op de aarde rond. Ze leven het grootste deel van hun leven onder water maar zodra ze uit het water komen zijn ze letterlijk ten dode opgeschreven want ze kunnen in dat stadium niet meer eten. Het volwassen stadium heeft enkel de voortplanting als doel en ze leven daarom slechts enkele uren tot enkele dagen. Hier hebben ze hun naam ‘Eendagsvliegen’ aan te danken.

Wereldwijd komen er ongeveer 2000 soorten voor, in Midden- en Noordwest Europa zo’n 70 en in Nederland vinden we zo’n 40 soorten. Ze zijn meestal in grote getale vlak bij water te vinden. Erg groot hoeft dat water niet te zijn, een kleine vijver is al voldoende voor de aanwezigheid van dit tere insect. (Bron: IVN Gooi en Omstreken)

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ vanuit de Natuurtuin ‘De Robbert’

Met ‘gevederde’ groet, Will van Berkel

Meer dan 50.000 molshopen geteld in het Mollenweekend

Zoogdierenvereniging: 12-FEB-2020 - Afgelopen weekend riepen de Zoogdiervereniging, Vroege Vogels, Natuurpunt en de Jaarrond Tuintelling iedereen op om mollen(sporen) door te geven. Aan deze oproep is massaal gehoor gegeven: meer dan 50.000 molshopen zijn gemeld. De mol stond flink in de belangstelling, hopelijk hebben veel mensen iets meer geleerd over dit ondergrondse zoogdier.

Hier is meer te leren over de mol.

Waar is de mol?

De meest voorkomende sporen zijn natuurlijk molshopen. Deze vallen vaak goed op in weilanden, parken en tuinen, maar ze kunnen ook verscholen zijn in het bos. In alle provincies zijn waarnemingen van mollen(sporen) doorgegeven. Op de Waddeneilanden zijn geen molshopen gemeld. Ondanks dat mollen goed kunnen zwemmen, lijken ze deze eilanden (nog) niet te hebben bereikt. In totaal zijn meer dan 5000 waarnemingen ingevoerd, dat zijn er ongeveer 1500 meer dan vorig jaar bij de eerste editie van de mollentelling.

verspreidingskaart mollen

Hieronder de waarnemingen in Helmond Noord tijdens het mollentel-weekeinde (bron:Waarneming.nl). Het mollen(sporen) tellen is minder populair dan het tuinvogels tellen. Maar het begin is gemaakt.

mollentelling 2020 helmond

Spectaculaire 'schorpioen'  in Natuurtuin De Robbert

Het is LENTE denk ik bij me zelf, als ik de vele groepen Sneeuwklokjes en paarse Krokusjes in bloei zie staan -onder de kale begroeiing- langs het toegangspad naar ‘De Robbert’. Ook in de Natuurtuin staan groepjes Sneeuwklokjes klaar om hun bloemenpracht in de voorjaars zon tentoon te spreiden.

Geïnspireerd door het doorkomende zonnetje, de vogelzang rondom en boven me, van de Roodborst, Boomkruiper en het geluid van de fietsband oppompende Koolmees. Vandaag ga ik het bodemleven onderzoeken op naar insecten?

Mijn gereedschap bij het zoeken: een tuinharkje, de ‘witte slootjesbak’ en een fototoestel met macrolens. De ‘harkjes’ methode werkt perfect -onder/nabij een boomstam of struik- dor blad, grassen en mossen verzamelen dmv op harken en in de bak uitstrooiende, even wachten totdat de diertjes weer gaan bewegen, dan speuren en zoeken.

Gisterenmorgen kwam ik dit spectaculaire beestje tegen ! geen insect maar een Spinachtige.

De pseudoschorpioen (Pseudoscorpionida)
De pseudoschorpioen (Pseudoscorpionida)

De pseudoschorpioen (Pseudoscorpionida) of boek(en)schorpioen.

Het is een minuscuul beestje (ca. 3-5mm) dat eigenlijk tot de spinachtigen hoort, dus niet tot de insecten. Maar als je hem door een loepje bekijkt, ziet hij er wel spectaculair uit!’.

Deze bovenstaande soort, die het Mosschorpioentje (Neobisium spec.) wordt genoemd. De meeste pseudoschorpioentjes in ons land behoren tot het geslacht Neobisium, in het Nederlands Mosschorpioentjes genaamd. De afzonderlijke soorten zijn alleen met de hulp van een microscoop uit elkaar te houden. De meeste Mosschorpioentjes leven onder schors en stenen of in mos. Ze zijn donkerbruin tot bijna zwart (vooral de mannetjes) met roodbruine scharen. Ze leven van heel kleine diertjes: springstaartjes, bladluizen, stofluizen e.d.

Bastaardschorpioenen vormen een orde van ongewervelde dieren die behoren tot de klasse der spinachtigen. Er zijn bijna 3400 soorten bekend, die over vrijwel de gehele wereld voorkomen. Bastaardschorpioenen leiden een verborgen bestaan omdat ze zo klein zijn en zelden in grote aantallen worden aangetroffen. (zie voor meer info Wikipedia).

Een van de wantsensoorten die ik tegen kom is de Berkensmalsnuit (Kleidocerys resedae). (Panzer, 1797).

 

  1. Berkensmalsnuit  (Kleidocerys resedae)Berkensmalsnuit

Kleidocerys resedae (Panzer, 1797)

De bodemwantsen (Lygaeidae) leven vooral op de bodem van zaden (niet alle soorten) en hebben vaak wat sombere kleuren (grijs, zwart, bruintinten). Een uitzondering zijn de kleurige ridderwantsen uit de subfamilie Lygaeinae. Er zijn in Nederland tien subfamilies. Henry (1997) heeft een indeling gemaakt, waarin de familie verheven is tot de superfamilie Lygaeidea en veel subfamilies tot families (Vooral in Amerika veel gebruikt).

De vrouwtjes Onderfamilie Ischnorhynchinae - Smalsnuitbodemwantsen.

Er zijn drie Kleidocerys -soorten (Smalsnuiten) in de Benelux en ze lijken allemaal sterk op elkaar. Geef bij deze wantsen zomogelijk behalve een foto dus ook altijd de exacte afmeting door en de plant waarop de wants gevonden is.

Herkenning:

  • 4.5-6 mm.

  • Langvleugelig (macropteer).

  • Een zwart, verdikt laatste antennesegment.

  • Een bruin, fraai getekend wantsje met voorvleugels, die voor een groot deel doorzichtig zijn.

  • De soorten uit dit genus maken een hoorbaar geluid door met een kammetje op de onderkant van een ader in de achtervleugel over een richel op de metathorax te wrijven.

 

Valse bruine kortsprietwants, (Agnocoris rubicundus)2 Valse bruine kortsprietwants,

Agnocoris rubicundus (Fallén, 1807)

Familie Miridae - blindwantsen. Een opvallende eigenschap van blindwantsen is het ontbreken van ocelli. Puntogen, waarvan veel wantsen (niet alle) er twee of drie op de kop hebben. (vandaar de naam blindwants)

Onderfamilie Mirinae. Tribus Mirini. Genus Agnocoris. (Op Waarneming.nl twee soorten, die zeer veel op elkaar lijken).

Even later zie ik deze wants tussen het dorre materiaal zitten 2. Valse bruine kortsprietwants Agnocoris rubicundus (Fallén, 1807). Deze bijzondere vondst is nog niet gevalideerd maar de indicatie app geeft deze bovenstaande soortnaam.

Herkenning:

  • 4,4-5 mm.
  • Langvleugelig (macropteer).
  • Korte geelachtig bruine antennes. Antennesegement 2 is ongeveer net zo lang als de breedte van de kop.
  • Een okergele tot roodachtige wants met een fijne lichte beharing.
  • Het schildje (scutellum) is bruinachtig met vaak een geelachtige punt. Het halsschild (pronotum) is okergeel tot roodachtig. Over het halsschild en schildje loopt een geelachtige middenlijn.
  • Het membraan (doorzichtig deel v.d. voorvleugels) is rookbruin met geelachtige aders.
  • Geelachtige poten. De dijen met distaal twee bruine ringen.

 

Gelijkende soorten:

Agnocoris rubicundus, lijkt zeer veel op de in Nederland heel zeldzame Agnocoris reclairei. Zonder genitaalonderzoek van de mannetjes niet van elkaar te onderscheiden.

Voorkomen: in Nederland zeer zeldzaam.(enkele waarnemingen in het zuidoosten). Holarctisch: Europa, Noord-Afrika, Azie en Noord-Amerika (Kerzhner & Josifov 1999, Aukema et al. 2013).

Biotoop: houtwallen, wilgenstruwelen.

Tot de volgende ‘natuurontdekkingen’ in de Natuurtuin ‘De Robbert’,

 Met ‘gevederde’ groet,

Will van Berkel

Voorjaars’trekjes’ -3 in Natuurtuin De Robbert

Wanneer ik vanmorgen vanaf de straat -over het voetpad fiets- het glibberige bebladerde bospad op richting de Natuurtuin, bemerk ik lijfelijk dat het glad is. Door de vele regen van afgelopen dagen blijft de het water langer op het pad staan, mede door de lemige ondergrond. Lopend door de toegangspoort hoor en ik zie ik de Roodborst ook de Grote bonte specht laat zich van ver horen, door zijn geroffel op een oude Eikentak. De te hoge winter temperatuur brengt de natuur in een extra versnelling.

Als de regen voorbij is loop ik naar de zuidelijke natuurlijke plas. Samen met Stan zetten we het nieuwe campingtafeltje op, dat dienst doet als werktafel ivm onderzoek. Zo kunnen we onze spullen kwijt en werken we op zithoogte, wat het fotograferen van insecten gemakkelijker maakt. Als ik de eerste vangst uitschut in de grote ‘witte’slootjesbak zwemt er een klein roofkevertje tussen de vele Gewone zoetwaterpissebedden (Asellus aquaticus).

Moeraswaterroofkevertje (Hydroporus palustris) (Linnaeus, 1760)

Het moeraswaterroofkevertje (Hydroporus palustris) is een keversoort uit de familie waterroofkevers (Dytiscidae). De wetenschappelijke naam van de soort is voor het eerst geldig gepubliceerd in 1761 door Linnaeus. 

Moeraswaterroofkevertje (Hydroporus palustris)

Dwergbootsmannetje Plea minutissima (Leach, 1817)

Familie van kleine waterwantsen met wereldwijd ongeveer veertig soorten (de meeste in de Tropen) in drie genera, waarvan in Nederland en Belgie een soort. Ze zijn roofzuchtig.

Dwergbootsmannetje (Plea minutissima)

Herkenning:

  • 2-3 mm.
  • Langvleugelig (macropteer), achtervleugels meestal verkort, waardoor die wantsen niet kunnen vliegen.
  • Lichaam hoogstens twee keer zo lang als breed. Voorkant stomp, achterkant bootvormig naar een punt.
  • Witachtig of grijsachtig. Een bruine lengtelijn tussen de ogen.
  • Halsschild en voorvleugels diep gepuncteerd. Het schildje minder gepuncteerd en meer geelachtig. Soms met een vage, donkere, schuine vlek op het eind van de voorvleugels (variabel). Onderkant van het lichaam is zwart.
  • Geelachtige poten

Voorkomen: In Nederland algemeen. Europa, Noord-Afrika en Centraal- en Noord-Azie (Polhemus 1995).

Ontwikkeling: Een generatie per jaar.

Biotoop: Licht zure tot enigszins basische wateren met rijke plantengroei (ook met een krooslaag).

Overwintering: Als volwassen wants op de bodem van hun habitat . __ Ze schakelen dan over op plastronademhaling (Tussen de haartjes wordt een dun luchtlaagje vastgehouden, dat in verbinding staat met de stigmata. De verbruikte zuurstof wordt aangevuld door de in het water opgeloste zuurstof, terwijl de fijne haartjes rechtstreeks verlies van zuurstof verhinderen). Normaal gebruiken ze een luchtbel.

Voedsel: Zoofaag. Kleine dieren als watervlooien (Cladocera) en muskietenlarven. Voor hun grootte zijn het redelijk goede zwemmers en jagen ze op prooien als ze dicht genoeg in de buurt komen.

(Bron: waarneming.nl)

Dan ‘valt mijn oog’ op een klein ca. 1 -1,5 mm rood bolletje is het de

Rode Watermijt (Limnochares aquatica)Rode Watermijt (Limnochares aquatica) ? In 2000 werd de naamlijst van de Nederlandse watermijten gepubliceerd. Hierin waren 234 soorten opgenomen. Daarna is door onderzoek veel nieuwe informatie bekend geworden. Hierdoor werd een update van de lijst noodzakelijk. In 2014 is een aanvulling op de bestaande namenlijst opgesteld Op deze nieuwe lijst is de naamgeving op diverse punten aangepast en zijn vele soorten toegevoegd. Daarnaast hebben vele nieuwe vondsten geleid tot een uitbreiding van het aantal soorten watermijten in Nederland. Het soortenaantal is nu met circa 10% gegroeid tot 259 soorten.

Er is -voor in de toekomst- nog veel te onderzoeken, en dat geldt ook voor de Natuurtuin ‘De Robbert’.

Tot de volgende keer, met ‘gevederde’ Groet, Will

Tuinvogeltelling 2020 in de Natuurtuin ‘de Robbert’.

Mogelijk tegenvallende telresultaten van afgelopen zaterdag in de Natuurtuin, deze blijken van geen invloed op de uitslag van de Landelijke telling 2020. Een geweldige aantal tellende deelnemers en ruim 1,5 miljoen vogels geteld.

Doet u volgend jaar ook weer mee, tot dan, Team Natuurtuin ‘De Robbert’

Recordaantal tellers zien opvallend veel pimpelmezen

Een recordaantal deelnemers zagen afgelopen weekend tijdens de Nationale Tuinvogeltelling opvallend veel pimpelmezen. De mees met het blauwe petje eindigde daardoor op de 3e plek, achter de huismus en koolmees. In de zomer werden al forse aantallen pimpelmezen gemeld en dat is nu goed terug te zien in de Tuinvogeltelling. De vink, vorig jaar nog goed voor een 3e plek, zakte naar plaats 7. Door het milde winterweer is er nog voldoende voedsel in de bossen te vinden. Ruim 90 duizend mensen telden in totaal meer dan 1,5 miljoen tuinvogels. Dat zijn bijna 13 duizend tellers meer dan vorig jaar. (Bron: Vogelbescherming, persbericht van 27 januari 2020)

Uitslag tuinvogeltelling 2020 voor Helmond Noord (postcode 5702)

28 deelnemers    487 getelde vogels

 

nationale tuinvogel telling 2020 Helmond Noord

Uitslag tuinvogeltelling 2020 voor heel Nederland

 

Waterinsecten ‘ontwaken’ uit winterslaap 2

Vanmorgen voordat ik dit stukje schrijf tel ik eerst de tuinvogels in eigen tuin. Na een half uurtje heb ik acht vogelsoorten op mijn lijstje staan. Kijk voor de laatste informatie om mee te tellen dit weekend in je eigentuin op de website: https://www.tuinvogeltelling.nl/meedoen

Modderkever (Hygrobia hermanni)Gisterenmorgen na de tuinvogeltelling in de Natuurtuin, vang ik met een schepnetje nog even een paar waterinsecten. Een van de opvallendste watertorren die in de bak zwemt is de Modderkever Hygrobia hermanni (Fabricius, 1775). of Waterpieptor is ongeveer 1 cm lang. Het water waar deze kever in voorkomt heeft vaak een zandige bodem zodat de kever zich hier in kan graven. Verder is dit water ook vaak voedselarm. In Midden Europa kent deze familie maar een soort. Een eeuw geleden werden deze kevers nog als speelgoed verkocht in England van wege het geluid dat ze maakten. Deze eigenaardige kever behoort tot een aparte familie, die als ijstijd relict beschouwd wordt. De kever kan goed zwemmen, maar is minder gestroomlijnd gebouwd dan de waterroofkevers. De kever maakt bij verontrusting een knarsend geluid. 

juffer larve
onbekende larven

Steeds meer waterinsecten ontwikkelen zicht deze Juffer larve (L) en nog niet definieerbare soorten (R) zoveel jong leven in een ‘gewone’ poel in de natuurtuin.

Gewone duikerwants  (Corixa punctata)Gewone duikerwants,

Corixa punctata (Illiger, 1807)

Corixidae (Duikerwantsen): Het zijn goede zwemmers en als de vleugels en de vliegspieren goed ontwikkeld zijn ook goede vliegers. Vooral in het voorjaar en herfst is er veel vliegactiviteit.

Vorige week vertelde ik over de identificatie van Bootsmannetjes aan de hand van de voortars, dat zijn de kleine zwemvoorpootjes. Op deze foto kun je ze duidelijk zien: de vorm, tekening en de lange beharing.

TIP: Vergeet de Tuinvogeltelling niet en tel mee en voer de resultaten in tot maandag 12.00u.

Tot de volgende keer, met ‘gevederde’ Groet, Will

Waterinsecten ‘ontwaken’ uit winterslaap in de Natuurtuin ‘de Robbert’.

Als ik vanmorgen langs het Wilhelminakanaal fiets is het fris tegen de wind in. Op het water zie ik de (vogel van het jaar 2020) de Wilde eendenparen -al ‘kopschuddend’ contact maken- het voorjaar komt eraan. Aangekomen bij de Natuurtuin begin het licht te regen. We treffen voorbereidingen voor de Tuinvogeltelling 2020 van Vogelbescherming komend weekend. Kijk voor de informatie om mee te tellen in je eigentuin op de website: https://www.tuinvogeltelling.nl/meedoen

Als ik de spullen gepakt heb loop ik naar de houtenbrug over de grote middelste plas. Vandaag ga ik eens kijken hoe de insecten ontwikkeling in het water is. De eerste track levert vele waterdiertjes op: Muggenlarven, Watervlooien en Juffer- en Libellenlarven. Wanneer je goed kijkt en speurt kom je ogen te kort zoveel verschillende soorten zie je in het water. Nu je elke week vangt zie je de ontwikkeling van de waterinsecten en kun je het proces op de voet volgen.

onbekende larven

Dan vang ik de eerste wantsensoorten: Bootsmannetjes, ook zitten er twee grotere soorten tussen het Gewoon bootsmannetje (Notonecta glauca Linnaeus, 1758) en het Tengere bootsmannetje (Notonecta viridis Delcourt, 1909).

Gewoon bootsmannetje (Notonecta glauca)
Tengere bootsmannetje (Notonecta viridis)

Herkenning: Gewoon bootsmannetje(Notonecta glauca Linnaeus, 1758)

13,5-16 mm.

Langvleugelig (macropteer).

Slank lichaam

Scutellum (schildje) zwart, de zijrand langer dan de spleet tussen de clavus (deel langs schildje van de voorvleugels).

Voorvleugels met lichte en gedeeltelijk donkere tekening.

Achterrand van het pronotum (halsschild) gewoon tot licht naar binnen gebogen. Pronotum met stompe, afgeronde voorhoeken, die de achterste rand van oog omvatten.

Bovenkant van de abdomen (achterlichaam) eenkleurig donker.

 

Herkenning: Tengere bootsmannetje(Notonecta viridis Delcourt, 1909)

13,4-14,7 mm.

Langvleugelig (macropteer).

Slank lichaam

Scutellum (schildje) zwart, de zijrand langer dan de spleet tussen de clavus (deel langs schildje) van de voorvleugels.

Voorvleugels helder grijsgeel (brak water) tot donkergeel (zoet water).

Pronotum met scherpe voorhoeken en omvat de achterste rand van het oog.

Ook zwemmen er nog een aantal zwarte bootsmannetjessoorten in de ‘slootjesbak’ met mooie namen zoals: Vlekpoot, Zwartvoetje, en Gewone duikerwants.  

 

Gewone duikerwants, (Corixa punctata)Gewone duikerwants Corixa punctata (Illiger, 1807)

Aan de vorm en tekening van de kleine voor tars, is de wantsensoort vast te stellen. In Nederland en België komen meerdere soorten duikerwantsen voor Deze soort komt in vrijwel heel Europa voor in sloten en plassen en ook wel in tijdelijke poelen.Vergeet de Tuinvogeltelling niet en tel mee volgend weekend.

Tot de volgende keer, met ‘gevederde’ Groet, Will