Onderhoudsplan Natuurtuin De Robbert

 

Het gebied

Natuurtuin de Robbert ligt in natuurgebied De Bundertjes, een restant van het beekdal van de Aa en enkele andere beekjes. Dit gebied is lange tijd gebruikt om vee te weiden, wilgentenen te kweken, als fabrieksriool en voor de landbouw. Pal naast de huidige Bundertjes is in de jaren '70 van de vorige eeuw een grote woonwijk aangelegd. Al deze ontwikkelingen hebben grote invloed gehad op het vroegere moerasgebied. Sommige onomkeerbaar: de (grond)waterstand is aangepast om Helmond Noord droge voeten te laten houden. Andere zaken zijn wel aangepakt: de vervuilde bedding van de Gulden Aa is gereinigd en De Bundertjes zijn geen landbouwgebied meer.
Sinds enkele jaren voert de gemeente Helmond beleid om de resterende natuurwaarden van De Bundertjes te versterken. Naast andere maatregelen in het gebied is vlakbij de natuurtuin een veld afgeplagd en zijn enkele sloten afgedamd. Regenwater uit de wijk wordt via een sloot langs de natuurtuin afgevoerd. Hierdoor is de natuurtuin, zeker in natte periodes, moerassiger geworden en heeft wat teruggekregen van het oorspronkelijke beekdalkarakter.

 

Ontwikkeling van het beheer

  • In de jaren '80 van de vorige eeuw is de natuurtuin opgezet met het idee om een voorbeeldtuin aan te leggen met biotopen die in Nederland voorkomen. Een arbeidsintensieve opzet die door gebrek aan vrijwilligers nooit goed van de grond is gekomen. Het beheer beperkte zich daarna jarenlang tot het bijhouden van een kruidentuin, het één keer per jaar maaien van de graslandjes en in de winter wat snoeiwerk met handgereedschap.
  • Sinds 2010 is het beheer stap voor stap gemoderniseerd. Ons beheer is nu gericht op het versterken van de natuurwaarden van de Bundertjes. Wij testen daarvoor methodes en adviezen van organisaties die natuur(beheer) op wetenschappelijke basis uitvoeren en onderzoeken.
  • Onze onderzoeken en de voorlichting richten zich op het effect van dat groenbeheer op de plaatselijke biodiversiteit.
  • In 2016 is gestopt met beheer van de kruidentuin omdat dit niet meer paste bij onze uitgangspunten. In 2017 is de samenwerking met de imker opgezegd. Wij trekken geen nieuwe imker aan vanwege onze zorgen over de negatieve invloed van grote aantallen honingbijen op de plaatselijke biodiversiteit. Het hele stuk voormalige kruidentuin/bijentuin wordt nu heringericht met als uitgangspunt: versterken van de lokale biodiversiteit met speciale aandacht voor (bloembezoekende) insecten.

 

Het beheer nu

  • Door het versterken van de lokale biodiversiteit bouwen wij mee aan een gezonde leefomgeving. Wij sluiten hiermee aan op het natuurherstelbeleid van de gemeente Helmond in de Bundertjes. Onze vrijwilligers vullen dit gemeentebeleid aan door op de kwetsbare moerassige bodem met lichte machines een samenhangende set landschapselementen te onderhouden.
  • Wij proberen ons beheer tegen lage kosten en weinig milieubelasting uit te voeren. Hiervoor is het nodig dat het groenbeheer gebaseerd is op de natuurlijke omstandigheden. Dit in tegenstelling tot traditioneel tuinieren waar de omstandigheden aangepast worden aan een bedacht ideaalbeeld. Dit laatste leidt vaak tot zware ingrepen, hoge kosten, intensief onderhoud en verlies van natuurwaarden.
  • Ons groenbeheer bestaat voornamelijk uit eenvoudige ingrepen: Gefaseerd maaien en gericht kappen. Het gebied moet de rest doen. Bouwend op de bestaande indeling (enkele aangeplante bosjes en het gegraven reliëf) hebben wij de natuurtuin in vier samenhangende onderhouds-zones verdeeld: Bosjes, Bosranden, Graslandjes en Poelen .
  • Om deze zonering te bereiken hebben we afgelopen jaren veel vrijstaande bomen en struiken gekapt. Stroken aansluitend op de bosjes maaien we niet meer elk jaar. Die laten we enkele jaren uitgroeien voordat ze worden gesnoeid. Door de indeling in zones is het onderhoud makkelijk te plannen en overzichtelijk voor vrijwilligers en bezoekers.
  • De zonering is niet alleen handig maar geeft de Natuurtuin ecologische samenhang. Het aangepaste beheer en de gevarieerde structuur zijn de basis voor een grote soortenrijkdom.
  • De Natuurtuin dient ook als springplank voor flora en fauna naar de rest van de Bundertjes en sluit ook zo aan op het natuurherstelbeleid van de gemeente Helmond.

zonering Natuurtuin De Robbert

 

Graslandbeheer


Het graslandbeheer is er op gericht om met weinig ingrepen maximaal de biodiversiteit te ondersteunen.

Hiervoor maaien we sinds 2010 een steeds groter deel van de graslandjes twee keer per seizoen en wordt het maaisel afgevoerd. Vóór 2010 gebeurde dit één keer per jaar. Er wordt niet bemest.

  • Dit maaibeheer van twee keer maaien en afvoeren en vooral het bepalen van de eerste maaidatum is overgenomen uit de Veldgids voor Graslandbeheer van de West-Vlaamse provincie.
  • Door dit maaibeheer wordt de bodem minder voedselrijk en de begroeiing minder eenzijdig. Op bemeste bodem gedijt slechts een beperkt aantal plantensoorten. Op „armere“ bodem kunnen meer verschillende plantensoorten groeien.
  • De vele kleine hoogteverschillen binnen de graslandjes zorgen voor verschillen in bodemvochtigheid en bodemtemperatuur. Bovendien is er het hele jaar een wisselende invloed van kwel- en regenwater. Door de natuurlijke omstandigheden en het aangepaste maaibeheer worden de graslandjes rijker aan plantensoorten en daardoor ook aan organismen die op een of andere afhankelijk zijn van die planten. Als voedsel, nectar- en stuifmeelbron, mogelijkheid om eitjes af te zetten of schuilplaats en nestgelegenheid, als parasiet, enz.

Het maaibeheer draait niet alleen om planten.

De bloemrijke graslandjes vormen het (tijdelijk) leefgebied van veel insecten, amfibieën en kleine zoogdieren. Daar wordt met het maaien op verschillende manieren rekening mee gehouden:

  • Het maaien gebeurt met een messenbalkmaaier. Deze maaimachine veroorzaakt veel minder verlies aan insecten, amfibieën en kleine zoogdieren dan andere in het groenbeheer gebruikelijke machines (zoals cyclomaaiers en klepelmaaiers).
  • Het maaisel wordt niet gebaald of geperst maar los bijeen geharkt en afgevoerd. Deze manier van afvoeren wordt door de vlinderstichting beoordeeld als het minst schadelijk voor de graslandfauna.
  • Tijdens de eerste maaibeurt (vroeg in het seizoen, half mei tot haf juni) blijft een groot deel van de graslandjes ongemaaid. Dit zijn de stukken met de meeste bloeiende planten. Dit is gunstig voor de ontwikkeling van de planten. Bovendien raken de graslandbewoners niet in een keer hun hele leefomgeving kwijt.
  • De tweede maaibeurt is laat in het seizoen (graslandjes in september, enkele ruigtes in oktober). Zo voeren we maximaal voedingsstoffen af en verstoren we zo min mogelijk het graslandleven.
  • De vlinderstichting raadt aan om stukken grasland ongemaaid te laten overwinteren om overwinterende insecten te sparen. De oppervlakte grasland in de natuurtuin die 's winters niet onder water staat is beperkt. Op geschikte plekken laten we stroken grasland “overwinteren”.

 

Bosrandbeheer

Bosrand in de winter

Sinds enkele jaren verrijken wij de Natuurtuin met bosranden.

  • Bosranden leveren een grote bijdrage aan de biodiversiteit in een gebied. De samenstelling van zo’n bosrand is op zich al een verrijking vergeleken met de abrupte grens tussen bomen en grasland die er eerst was. Bosranden bieden veel grote en kleinere diersoorten schuil- en nestgelegenheid.
  • Door de variatie in structuur ontstaan verschillende microklimaten wat ten goede komt aan veel insectensoorten.
  • Praktisch betekenen bosranden voor ons minder onderhoudswerk. In plaats van deze stroken elk jaar te maaien (met weinig botanische ontwikkeling door schaduwwerking en bladafval), laten we ze nu enkele jaren achter elkaar met rust.
  • Om te voorkomen dat de bosranden uiteindelijk tot bos
    ontwikkelen snoeien we deze stroken om de paar jaar tot op de grond terug. Daarna kunnen ze weer opnieuw tot ontwikkeling komen.
  • Dit gebeurt afwisselend zodat we bosranden in allerlei ontwikkelfases hebben.

 

Bosbeheer

Wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia)

  • Het bosbeheer is er op gericht om de bosjes gevarieerd van opbouw te maken en houden.
    Ten eerste proberen we de bosjes een etage-opbouw te geven. Dus naast een kroonlaag ook een struiklaag en bodembegroeiing. Hiervoor halen wij binnen in de bosjes zo nu en dan bomen weg om zonlicht tot op de bosbodem te krijgen. Hierdoor komen meer planten de bosjes in en zorgen kiemende en uitgroeiende zaailingen van de bomen voor verjonging.
  • Ten tweede verrijken wij de bosjes met afstervend en dood hout in diverse stadia van verval: Snoeihout wordt verspreid over de bodem, verwerkt in de houtwallen en op stapeltjes gegooid. Stammen van het kapwerk worden op de bosbodem verspreid.
    De laatste jaren is onder bosbeheerders steeds meer aandacht voor staand dood hout als middel om de biodiversiteit te bevorderen. Ook wij proberen naast liggend dood hout ook een deel staand dood hout in de bosjes te krijgen. Waar dit veilig kan ringen wij bomen die zo langzaam afsterven en jarenlang een waardevol biotoop vormen voor allerlei organismen, van schimmels en insecten tot spechten en eekhoorns.
  • Waar ringen niet mogelijk is, laten wij vaak stompen van ongeveer een meter hoog staan om een grotere variatie aan afbraakprocessen te bevorderen.
  • Bij de bosjes kappen we om de paar jaar aan de buitenste rand bomen weg om de bosranden in stand te houden (zie bosrandbeheer) en de invloed van de bosjes op de graslandjes en de poelen (schaduwwerking en bladafval) te beperken.

 

Poelenbeheer

Zuidelijke poel

Het poelenbeheer is gericht op een geschikt leefmilieu voor insecten, amfibieën en watervogels. Variatie en consequent beheer zijn ook hier leidraad.

  • Het grootste deel van de oevers is begroeid met riet. Dit riet wordt elk jaar aan het eind van de zomer gedeeltelijk weggemaaid.
  • Enkele stukken rietkraag laten we staan voor vroeg broedende watervogels als de meerkoet en waterhoen en overwinterende insecten.
  • Een deel van de oever van de grote poel wordt belopen door bezoekers (tijdens schoolexcursies en open dagen) die naar waterbeestjes scheppen. Door deze gecontroleerde betreding wordt de zonnige noordelijke oever open gehouden en daardoor geschikt voor amfibieën om zich op te warmen.
  • Het onderhoud in de poelen zelf beperkt zich tot het eens in paar jaar tijdens het groeiseizoen onder water afsnijden van riet om te voorkomen dat de poelen dichtgroeien.
  • Langs de grote poel is een ijsvogelwand gemaakt. De begroeiing wordt daar kort gehouden en de wand zelf wordt jaarlijks bijgewerkt.
  • Rondom de grote poel en de zuidelijke poel zijn de afgelopen jaren veel bomen weggehaald.
    Hierdoor zijn deze poelen als leefgebied sterk verbeterd.
  • Bij de noordelijke poel is er voor gekozen geen onderhoud te doen en deze te laten verlanden.